11 november 2024

 Over Poëzie Welkom

 Wat is poëzie? Wat voor functie heeft ze? Die vragen waren het uitgangspunt van een leesgroep waarvan ik deel uitmaakte. We kozen daarbij enkele gedichten waarbij de poëzie en de rol van de dichter zelf het onderwerp waren. Ze moesten dus zo veel mogelijk zelf het antwoord geven op de twee gestelde vragen.


Voor een deel geef ik hier het resultaat van die gesprekken van destijds en voor een deel ben ik doorgegaan op dit uitgangspunt, omdat op die vraagstelling zoveel gevarieerde antwoorden mogelijk zijn. Het biedt me verder de gelegenheid gedichten eens diepgaand te lezen.

In het vervolg vindt u wat ik aan antwoorden vond op de gestelde vragen. Die antwoorden probeer ik er via een literaire analyse uit te lichten. Daarbij probeer ik zo dicht mogelijk bij de tekst blijven en er zo weinig mogelijk interpretaties, die ik van elders heb bij te betrekken.

Mijn leesverslag is van persoonlijke aard en ik heb niet de pretentie een soort wetenschappelijke objectiviteit na te streven. Ik ben me er van bewust dat ik bij mijn interpretatie vertrek vanuit enkele door mijn voorkeur bepaalde literaire uitgangspunten.

Een ervan is de opvatting dat poëzie dan pas voor mij interessant wordt, wanneer de werkelijkheid die de dichter oproept niet puur anekdotisch is of particulier, maar gaat over het menselijke bestaan in zijn totaal, d.w.z. universeel is en daardoor voor mij als lezer herkenbaar. In die gevallen verwijst het uiterlijke voorval naar een innerlijke werkelijkheid.

Lezen is kiezen. In die zin is het lezen van poëzie subjectief. Als lezer heb je bepaalde persoonlijke vragen en voorkeuren. Je zoekt in het gedicht wat van je gading is. Het is als met voedsel: je hoeft niet alles te eten. Maar dat wil niet zeggen dat je een gedicht willekeurig kunt interpreteren.

Het zoeken mag de interpretatie van het gedicht nooit in de weg te staan. Soms moet je de vraag bijstellen als het gedicht er om vraagt. En het kan gebeuren dat je een ander antwoord krijgt dan je verwachtte. In zo’n geval moet je eten wat je niet gewend was te eten.

Het is waar. Uit de gekozen gedichten blijkt een duidelijke persoonlijke voorkeur. In eerste instantie is dat de belangstelling voor de poëzie van Nijhoff en Bloem. Voor hen heeft poëzie een metafysische, zo niet mystieke dimensie. Die mystieke kant van de poëzie boeit mij zeer. Zie bij voorbeeld mijn bespreking van het gedicht Het Kind en ik van Martinus Nijhoff

Maar dat neemt niet weg dat ook andere gedichten aan bod zijn gekomen of nog zullen komen. 

Henriëtte Roland Holst: Lichtstralen I

 



Keer tot het tijdeloze in mijn kind

 

Keer in tot het verborgen zelf,

waar denken ophoudt en de ritselhagen

der uren gansch verstild zijn, wilde vlagen

 tot rust gebracht; keer in nu, delf en delf

 tot waar de wortels van den tijd niet reiken,

 

 geen adem dringt van morge' en avondwind -

 keer in tot waar het murmelen begint

 der bronnen uit onzichtbre rijken.

 

Keer tot het tijdelooze in, mijn kind.

 

Bij de bespreking van De zachte krachten zullen zeker winnen van Henriëtte Roland Holst vroeg ik mij af hoe zij zo zeker en stellig kon zijn van die uitspraak. Is het niet een wensen tegen beter weten in? Waar haalt zij die zekerheid vandaan? Dit gedicht kan daar wat meer duidelijkheid over geven, nu zij de lezer uitnodigt om naar die bron van  zekerheid in te keren. .

Analyse

Keer in tot het verborgen zelf,

waar denken ophoudt en de ritselhagen

der uren gansch verstild zijn, wilde vlagen

 tot rust gebracht; keer in nu, delf en delf

In dit gedicht vraagt de de dichter de lezer om in zichzelf te keren, maar dan wel in zijn verborgen zelf. Zij veronderstelt dus dat de lezer, naast het zelf waarvan hij zich bewust is, nog een dieper zelf heeft dat verborgen is en onbewust, maar wel toegankelijk. Dat gebied moet dan wel voorbij het denken zijn gelegen, waar de taal ophoudt en wordt geluisterd en alles stilte en rust ademt. Hier wordt het inkeren een delven genoemd: een steeds dieper doordringen in die eigen verborgen grond van het bewustzijn. De ritselhagen die zich in die stilte openbaren doen denken aan het gedicht van Nicolaas Beets De moerbeitoppen ruisten. In dat ruisen gaat voor hem God voorbij en toeft bij hem. Beets vult het naar eigen overtuiging in, maar voor ieder zal dat persoonlijk zijn. Voor de dichter, zoals blijkt uit haar gedicht van de zachte krachten is het de zekerheid dat uiteindelijk de liefde de zin is van het leven der planeten

tot waar de wortels van den tijd niet reiken,

geen adem dringt van morge' en avondwind -

keer in tot waar het murmelen begint

der bronnen uit onzichtbre rijken.

In de tweede strofe wijst de dichter op een nieuw gebied, namelijk de tijdloosheid. In het diepere bewustzijn blijkt daar de tijd opgeheven. Er is daar geen sprake meer van morgen of avond, van verleden of toekomst. Daar heerst rust en stilte. Slechts het zachte murmelen  van die diepe bronnen komt als een stille kracht omhoog uit die onzichtbare rijken. Dat is het gebied waar de dichter haar zekerheid vindt, een bron voorbij alles wat tijdelijk en zichtbaar is.

Keer tot het tijdelooze in, mijn kind.

Door de lezer zo direct en persoonlijk aan te spreken en uit te nodigen wordt de oproep om in zichzelf te keren versterkt. Het is duidelijk dat zij dat tijdeloze gebied kent en eruit leeft. Door de lezer kind te noemen neemt zij een houding aan van iemand die haar lezer als een nog onervarene wil inwijden in dat voor hem of haar nog onbekende gebied van het tijdloze zijn. Het zal  een blijvende ankerplaats zijn, dieper dan al het tijdelijke wel en wee.

 


26 februari 2020

H.C.ten Berge: Hoe is het om nu te leven



Hoe het is om nu te leven
te midden van

te midden van

geschonden geesten en verwarde vrienden
die ontheemd in eigen huis,
beroofd van al wat
breekbaar en waarachtig is,
de zweepslag van een nieuwe knechtschap incasseren.

Hoe het is om nu te leven
door verleugening en kromspraak
uit de taal verjaagd te worden

knecht te zijn van hen
die ons zouden bedienen —

Tot monddode wezens vermalen,
door naamloze machten beheerst,
wordt ons de adem afgesneden,
wordt het mes ons op de keel gezet.

uit: Cantus Firmus 2014.


















Analyse

Hoe het is om nu te leven
te midden van

te midden van

geschonden geesten en verwarde vrienden
die ontheemd in eigen huis,
beroofd van al wat
breekbaar en waarachtig is,
de zweepslag van een nieuwe knechtschap incasseren.


Dit gedicht gaat uit van de vraag: Hoe is het om nu te leven. Die vraag heeft de dichter al eerder aan zichzelf gesteld, maar hij stelt die vraag nu aan de lezer. Hij verwacht misschien geen direct antwoord, maar door haar verder toe te lichten hoe het is om nu te leven probeert hij  de lezer aan het denken te zetten.

Die vraag gaat over iets actueels, over het hier en nu. Niet over andere streken of voorbije tijden, maar over nu, onze tijd, ons bestaan. De herhaling van het te midden van benadrukt dat het onze onmiddellijke leefomgeving betreft. Door vrienden te noemen komt de vraag nog dichter bij.

Het wordt duidelijk dat in de ogen van de dichter de huidige maatschappelijke situatie er beroerd uitziet, wanneer hij het heeft over mensen, wier geesten geschonden zijn en verward, die niet meer thuis zijn in hun eigen leefgebied. Hij noemt een reden. Ze zijn beroofd van al wat hun dierbaar was. Al wat breekbaar en waarachtig was is verkeerd in het tegendeel: grofheid en onwaarachtigheid zijn er voor in de plaats gekomen. 


De dichter spreekt over een nieuwe knechtschap, die in die vervreemdende situatie is ontstaan. Het gaat om mensen, die meenden vrije burger te zijn, maar tot de ontdekking komen aan vreemde machten onderworpen te zijn. Die knechtschap is een centraal punt in dit gedicht, want in het vervolg wordt daarop teruggekomen.

Hoe het is om nu te leven –
door verleugening en kromspraak
uit de taal verjaagd te worden

 De vraag spitst zich in eerste instantie toe op hoe de taal in deze ontwikkeling een rol speelt. Wanneer waarheid niet meer aan een geijkte norm beantwoordt en er even zoveel waarheden zijn als meningen, verliest ook de taal zijn normerende kracht. Ze wordt gebruikt  of misbruikt voor ieders particuliere doel. Vandaar de verleugening. Liegen is een middel geworden om zijn doel te bereiken. Bovendien heeft de taal door dit verlies aan normering ook haar respect verloren, zodat eenieder er van kan maken wat hij wil. Vandaar de kromspraak. Op deze wijze voelt de dichter dat de taal, zijn instrument, hem is ontnomen. Erger nog: hij is er uit verjaagd.

knecht te zijn van hen
die ons zouden bedienen —


Die nieuwe knechtschap waarvan al eerder sprake was blijkt dus voort te komen uit een omkering van maatschappelijke verhoudingen. De knechten die beloofd hadden ons te dienen zijn onze heer en meester geworden. Het is een algemene vaststelling. Maar de dichter laat het aan de lezer over die verder in te vullen. Het gaat hier kennelijk om onze grote maatschappelijke dienstverleners.

Geleidelijk aan hebben die diensten, die door vrije inspraak waren ingesteld, zich een zelfstandige functie verworven. Daardoor zijn ze niet meer van de burger afhankelijk en kunnen ze vrijelijk hun eigen doelen nastreven. Die doelen zijn dan niet langer meer op de burger gericht, maar allereerst op eigen groei en winst. Geleidelijk aan realiseert men zich als burger dat het eens gegeven mandaat uit handen is gegeven en dat men, omgekeerd, de dictaten van zijn dienstverleners moet volgen.

Tot monddode wezens vermalen,
door naamloze machten beheerst,
wordt ons de adem afgesneden,
wordt het mes ons op de keel gezet

De dichter liegt er niet om. Wat is er gebeurd met de burgers die meenden op vrije democratische wijze hun maatschappelijke diensten te hebben gekozen? Er is een systeem ontstaan waarin hun inbreng tot nul is gereduceerd. De diensten zijn naamloos geworden, onaanspreekbaar. Erger nog: ze bedreigen de vrijheid om te leven. Wanneer je de adem wordt afgesneden en het mes op de keel gezet is er weinig leefruimte meer over.

Nawoord

Bij het analyseren van twee gedichten van Menno Wigman, Misverstand en Burger King, kwam ik tot de vaststelling dat voor hem in deze tijd poëzie niet veel meer te zeggen heeft dan het uiten van een klacht. De klacht namelijk dat de poëzie in deze tijd haar zeggingskracht heeft verloren. Bij nader inzien zou je die klacht ook een vorm van verzet kunnen noemen, verzet tegen een wereld die de taal ontkracht heeft en daardoor de dichter geen ruimte meer biedt. In dit verband meende ik ook dit gedicht van H.C. ten Berge te moeten lezen.

Daarmee kom ik tot de conclusie dat het mede een taak van de poëzie is om verzet te plegen. Verzet tegen actuele ontwikkelingen, met name wanneer het de verarming van onze cultuur en  onze taal betreft.

Ik weet wel dat dit verzet in het algemeen al gauw wordt ontzenuwd met de opmerking dat men niet met de ontwikkelingen van zijn tijd wil meegaan en daarmee impliciet een bewijs van onvermogen levert. Maar dat is natuurlijk onterecht. Ook in deze tijd kun je net als in andere tijden aan bewustzijnsvernauwing lijden. Vandaar dat ik met enige instemming dit gedicht van H.C. ten Berge heb gelezen en geanalyseerd. Natuurlijk kun je dit gedicht afdoen als de bekende klacht van een grumpy old man. Maar ik zie hem meer als op bijgaande foto in een profetische perspectief. Hij roept ons terug van een duidelijke ontsporing.



11 januari 2019

J.C.Bloem: Dichterschap




Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,
Voor de rechtvaardiging van een bestaan,
In 't slecht vervullen van onnoozle plichten
Om den te karigen brode allengs verdaan ?

En hierom zijn der op een doel gerichten
Bevredigende dagen mij ontgaan;
Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
In zicht van' t eind der onherkeerbre baan.

Van al de dingen, die 'k in dromen zocht-
Erger: van alle, die ik wèl vermocht,
Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden.

En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
Erkennen mij verwijst naar de verdorden,
Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest.




Analyse

Dichten is een speciale vorm van leven, die duidelijk afwijkt van wat men gangbaar een zinvol leven noemt. Daarom vraagt de dichter zich op het eind van zijn leven af of zijn gedichten dat bestaan, dat in het slecht vervullen van onnoozle plichten is verdaan, wel kunnen rechtvaardigen.

In de ogen van de doelgerichte mensen moet het dichterschap wel als een mislukking worden beschouwd. Dichten komt voor hen immers voort uit onvermogen zich een doel te stellen. Vanwege zijn onvermogen vlucht de dichter in een poëtische droom, die niets veel zinnigs blijkt op te leveren, behalve een stuk of wat gedichten. En daardoor heeft hij de kans gemist te slagen in wat hij wél aan nuttigs had kunnen doen.

De vraag is dit genoeg een stuk of wat gedichten? is echter een retorische vraag, die de lezer dwingt daarop te antwoorden. Doordat de dichter zichzelf als een mislukkeling voorstelt suggereert hij dat op die vraag een negatief antwoord zou moeten worden gegeven. 

Maar hier schuilt een zekere ironie in. Het feit dat hij zijn dichtwerk als zo weinig belangrijk voorstelt kun je als een understatement beschouwen. De lezer van zijn gedichten weet immers wel beter. De dichter heeft iets zinnigs gedaan door  zijn gemis tot poëzie te maken. Hij zal dan daarom de vraag des te meer positief beantwoorden: Ja, dat is meer dan voldoende. Die gedichten zijn een rechtvaardiging van je bestaan, wat je ook verder van je leven hebt gemaakt.

Naschrift

Ook hier wordt wordt bij de dichter Bloem menselijk gemis tot dichterlijke winst. Want hoewel de bloei van de dichter niet mooi is geweest (hij moest immers zijn inspiratie putten uit dat gemis) blijven een stuk of wat gedichten onaantastbaar, als vruchten van een bestaan dat verder ironisch gezien als 'mislukt' kan worden beschouwd.


2 januari 2019

Menno Wigman: Burgerking




Was er een tijd dat ik hier boven stond,
mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,
niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in
een taal te denken die geen tanden heeft?
Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.
.
Dus slof ik door de leeszaal van de straat
en blader maar wat door de Burger King,
gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos
eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek.
– Als deze wanhoop ons Walhalla is,
.
als hier het ware leven staat te lezen,
mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal
betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,
eerder verbaasd dat alles wat zo laag
en lelijk is zo sterk en stevig staat.

Uit : De droefenis van copyrettes 2009





Analyse

Zoals in zijn gedicht Misverstand vraagt ook hier de dichter zich wanhopig af of zijn poëzie in deze tijd nog iets te betekenen heeft. Centraal staat in dit gedicht het beeld van de Burger King, Het is een metafoor voor de moderne samenleving, voor de stad die zich allengs gevuld heeft met fastfood eetgelegenheden en waar het consumeren van voedsel haar enige functie blijkt te zijn geworden. De poëtische ruimte is door dit gebeuren geheel ingenomen, zodat de dichter er aan denkt zijn lier aan de wilgen te hangen.

De bundel waaruit dit gedicht is genomen heeft als titel: De droefenis van copyrettes. Nu is de Burger King ook een metafoor voor de kopieën  waaraan alle steden lijden. Bijna iedere binnenstad is te verwisselen voor de andere. De winkelketens rijgen zich aaneen, waardoor er geen plaats meer is voor wat bijzonder is en zich van het andere onderscheidt. Die drang te kopiëren heeft ook de burgers besmet, die zich gemakkelijk laten voegen in deze eenvormige wereld. Maar daarmee is de creatieve verbeelding, waar ook de poëzie het van moet hebben, om zeep gebracht.

Was er een tijd dat ik hier boven stond,
mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,
niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in
een taal te denken die geen tanden heeft?
Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.

Er moet een tijd geweest zijn waarin de cultuur van het nuchtere zakelijke denken en de literaire verbeelding konden samenleven, weliswaar als gescheiden gebieden, maar toch werd aan de literaire verbeelding een belangrijke plaats toegekend om aan het leven diepte en duiding te geven. Dat was de tijd dat de dichter nog enig aanzien genoot, zodat hij dan ook kon verklaren dat hij hier boven stond.

Dat was ook de tijd dat de dichter nog de mond vol had van Proust en Bloem. Die namen die zo mooi assoneren vatten de coryfeeën van de literaire verbeelding samen. Zij stonden hoog in aanzien, maar zijn geleidelijk een ver bestaan gaan leiden. Wat is er in de tijd gebeurd? Volgens de dichter heeft de literaire taal zijn kracht verloren. Maar waardoor? Zijn woorden kunnen niet meer naar een poëtische werkelijkheid verwijzen. Zij vinden geen plaats. De hemel, dat gebied van verbeelding en dromen, is leeg geworden. Die blijkt met God uit het gezicht verdwenen. Voor de dichter valt daar niets meer te lezen

Dus slof ik door de leeszaal van de straat
en blader maar wat door de Burger King,
gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos
eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek.
– Als deze wanhoop ons Walhalla is,

Inspiratie voor zijn poëzie zal de dichter voortaan in de stad beneden moeten zoeken. Dit zoeken naar zin noemt hij het lezen van de straat. Daar immers hebben de mensen hun droom, hun Walhalla, gebouwd met als centrum de Burger King. Maar aan zijn sloffen kun je merken dat hij weinig vertrouwen heeft daar iets te vinden wat zijn honger zou kunnen stillen. Wat hij vindt is voedsel om in leven te blijven, maar het smaakt naar wanhoop en dood.

als hier het ware leven staat te lezen,
mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal
betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,
eerder verbaasd dat alles wat zo laag
en lelijk is zo sterk en stevig staat

Op zoek naar het ware leven moet de dichter zijn verlies toegeven. Wat overblijft is gelatenheid en verbazing over het feit dat deze wanhoop nog steeds de schijn weet op te houden van het ware bestaan.

Naschrift

Naar aanleiding van zijn gedicht Misverstand concludeerde ik al dat voor de dichter poëzie niet meer kan zijn dan het uiten van een klacht. Ook hier lijkt het er op dat de dichter zijn moed heeft verloren om verder te gaan. Maar dat blijkt toch niet het geval. Hij schrijft door, want juist door het vaststellen van het gemis wordt wat gemist wordt des te sterker opgeroepen. Het is nostalgie en naar mijn gevoel is de dichter in het oproepen van die nostalgie goed geslaagd.

17 oktober 2017

Charles Baudelaire: Harmonie du soir



Voici venir les temps où vibrant sur sa tige
Chaque fleur s'évapore ainsi qu'un encensoir ;
Les sons et les parfums tournent dans l'air du soir ;
Valse mélancolique et langoureux vertige !

Chaque fleur s'évapore ainsi qu'un encensoir ;
Le violon frémit comme un cœur qu'on afflige ;
Valse mélancolique et langoureux vertige !
Le ciel est triste et beau comme un grand reposoir.

Le violon frémit comme un cœur qu'on afflige,
Un cœur tendre, qui hait le néant vaste et noir !
Le ciel est triste et beau comme un grand reposoir ;
Le soleil s'est noyé dans son sang qui se fige.

Un cœur tendre, qui hait le néant vaste et noir,
Du passé lumineux recueille tout vestige !
Le soleil s'est noyé dans son sang qui se fige...
Ton souvenir en moi luit comme un ostensoir !

Uit: Les Fleurs du mal

De harmonie van de avond

Zie de tijden komen dat, trillend op haar stengel,
Iedere bloem geurt als een wierookvat;
De geluiden en geuren wervelen in de avondlucht
In een melancholieke wals en lome duizeling!

Iedere bloem geurt als een wierookvat;
De viool trilt als een hart dat wordt gepijnigd;
In een melancholieke wals en lome duizeling!
De hemel is triest en mooi als een groot rustaltaar.

De viool trilt als een hart dat wordt gepijnigd,
Een teer hart, dat walgt van het grote zwarte niets!
De hemel  is triest en mooi als een groot rustaltaar;
De zon is verdronken in zijn bloed dat stolt.

Een teer hart, dat walgt van het grote zwarte niets,
En van het voorbije licht ieder spoor verzamelt!
De zon is verdronken in zijn bloed dat stolt …
De herinnering aan U straalt in mij als een monstrans!




Vooraf

De titel van de bundel Bloemen van het kwaad, waaruit dit gedicht is genomen laat al weten wat de dichter onder poëzie wil verstaan. Hij wil zijn poëzie  niet beperken tot het gangbare schoonheidsideaal, maar zoekt haar vooral in de schaduwzijde van het menselijk bestaan, waar mensen afwijken van wat men normaal noemt. Kwaad moet daarom niet onmiddellijk worden geassocieerd met moreel kwaad, maar eerder met wat in het Frans mal de vivre heet, lijden aan het bestaan.

Ook in Harmonie du soir wordt duidelijk dat de dichter zelf daaraan lijdt. Hij plaatste het gedicht binnen Les Fleurs du Mal in een afdeling die hij Spleen et Idéal noemde. De term spleen ontleende hij uit het Engels, waarschijnlijk omdat in het Frans een eenduidig equivalent ontbrak voor een levenshouding die nieuw was en moeilijk te omschrijven en slechts in poëtische beelden uit te drukken.  Ook in het Nederlands is dat het geval. Verveling, zwaarmoedigheid, weemoed, lusteloosheid benaderen die houding enigszins. In feite zijn het allemaal aspecten van het lijden aan het bestaan.

Uit een brief aan zijn vriendin Jeanne Duval blijkt dat Baudelaire op vierentwintigjarige leeftijd van plan was een einde aan zijn leven te maken. Dat besluit kwam mede voort uit een verstoorde verhouding met zijn moeder, die na de vroegtijdige dood van zijn vader snel was hertrouwd. Maar meer algemeen uit  een stemming van spleen, een zwaarmoedigheid, waarin het bestaan voor hem gesloten was en nergens een zinvolle opening bood. Een geluk voor de poëzie dat hij zijn plan niet heeft uitgevoerd. In die impasse heeft hij een uitweg gevonden, zonder van plaats te hoeven veranderen, door zich te richten op een ideële  werkelijkheid, het tweede element van spleen et idéal. Die ideële werkelijkheid is een geestelijke die in de verbeelding bestaat en nooit geheel bereikt kan worden. Maar hij zag de mogelijkheid om haar in ieder geval gedeeltelijk te verwezenlijken in de verbeelding van de poëzie.

Mijn analyse van Harmonie du soir richt zich vooral op de inhoud en minder op de vorm tenzij die van belang is voor de inhoud. Mijn vertaling van het gedicht is daarom alleen inhoudelijk. Ik heb geen moeite gedaan recht te doen aan metrum en rijm, ook wel omdat ik denk dat zoiets een onmogelijke taak is.

Analyse

Harmonie du soir
Voici venir les temps où vibrant sur sa tige
Chaque fleur s'évapore ainsi qu'un encensoir ;
Les sons et les parfums tournent dans l'air du soir ;
Valse mélancolique et langoureux vertige !

Zie de tijden komen dat, trillend op haar stengel,
Iedere bloem geurt als een wierookvat;
De geluiden en geuren wervelen in de avondlucht
In een melancholieke wals en lome duizeling!

De titel belooft vrede. Een moment waarop alle ervaringen van de hitte van de dag tot rust komen, nu de zon langzaam wegzakt. Je denkt onwillekeurig dat het gedicht de avond van een gewone dag wil beschrijven. Maar de aanhef van de eerste strofe doet vermoeden dat het over meer gaat. De dichter heft een profetische toon aan, alsof hij de aankondiger is van een nieuwe tijd. Dat doet me denken aan een van de Kleine gedichten in proza, getiteld Enivrez vous, Bedrink je, waarin de dichter, om aan het neerdrukkende gewicht van de Tijd te ontkomen, ons bezweert altijd in een roes te zijn. En om dit kracht bij te zetten laat hij heel de levende en levenloze natuur zeggen: Het is tijd voor de roes.

De nieuwe tijd die de dichter hier aankondigt blijkt een tijd van de roes, van de dichterlijke vervoering, waarin hij en de natuur één worden en waarin het neerdrukkende gewicht van de Tijd is opgeheven. Dat blijkt onder meer in het feit dat geuren en klanken voor hem samenvloeien en rondtollen in een wervelende wals. Maar bovendien krijgt dit gebeuren een sacraal karakter, wanneer hij bloemen ziet wasemen als een wierookvat.

Chaque fleur s'évapore ainsi qu'un encensoir ;
Le violon frémit comme un cœur qu'on afflige ;
Valse mélancolique et langoureux vertige !
Le ciel est triste et beau comme un grand reposoir
.

Iedere bloem geurt als een wierookvat;
De viool trilt als een hart dat wordt gepijnigd;
In een melancholieke wals en lome duizeling!
De hemel is triest en mooi als een groot rustaltaar.


De dichter gebruikt een bijzondere versvorm om de sensatie van klanken en geuren die in een dans ronddraaien te versterken.  Twee versregels uit de vorige strofe worden in de volgende herhaald. Daarmee keert de wals weer terug tot zichzelf voordat ze verder gaat.

Ook wordt duidelijker dat dit gebeuren een sacraal en gewijd karakter gaat krijgen. De hemel wordt voorgesteld als één groot rustaltaar. De dichter verwijst daarmee naar een kerkelijk gebruik om het Allerheiligste in de gedaante van een hostie op een rustaltaar ter aanbidding op te stellen. Die hostie is gevat in het centrum van een gouden houder die men monstrans noemt. Met die verwijzing maakt hij een eigen eredienst, die niet meer de kerk, maar heel de hemel tot ruimte heeft. Het gaat er nu om wat voor hem het centrum is, het Allerheiligste, het Ideaal.

Opmerkelijk is dat de hemel triest en mooi wordt genoemd, een mengsel dat de beleving van het spleen kenmerkt. Aangezien het ideale en volmaakte niet geheel bereikt kan worden, is schoonheid altijd gemengd met weemoed en ook met pijn. De viool kan niet anders spelen, omdat het hart van de dichter ook door die pijn van het onbereikbare wordt gekweld.

Le violon frémit comme un cœur qu'on afflige,
Un cœur tendre, qui hait le néant vaste et noir !
Le ciel est triste et beau comme un grand reposoir ;
Le soleil s'est noyé dans son sang qui se fige.

De viool trilt als een hart dat wordt gepijnigd,
Een teer hart, dat walgt van het grote zwarte niets!
De hemel  is triest en mooi als een groot rustaltaar;
De zon is verdronken in zijn bloed dat stolt.

Tegenover het Ideaal bevindt zich het grote zwarte Niets, een afgrond die de dichter naar beneden dreigt te trekken. Zijn positie bevindt zich tussen beide. Nu de zon van de hete lange dag wegsterft heeft hij de mogelijkheid harmonie te vinden door zijn hart volledig naar zijn ideaal te keren.

Un cœur tendre, qui hait le néant vaste et noir,
Du passé lumineux recueille tout vestige !
Le soleil s'est noyé dans son sang qui se fige...
Ton souvenir en moi luit comme un ostensoir !

Een teer hart, dat walgt van het grote zwarte niets,
En van het voorbije licht ieder spoor verzamelt!
De zon is verdronken in zijn bloed dat stolt …
De herinnering aan U straalt in mij als een monstrans!

Dit is de tijd waarop het gevoelige hart van de dichter alle lichtende herinneringen uit het verleden verzamelt en overdenkt. Daarmee gaat de avond van de dag over in de avond van het bestaan. En nu de zon definitief gestold is in zijn bloed blijft er één stralende herinnering over: naar een U die voor de dichter het ideaal verbeeldt. Door haar in een monstrans te plaatsen maakt hij die herinnering tot het Allerheiligste. Men denkt onmiddellijk dat dit een herinnering is aan een vrouw, een geliefde. En men zou kunnen opmerken dat dit sacrale beeld toe te kennen aan een vrouw neigt naar blasfemie. Maar dan neemt men die toekenning al te letterlijk. Ook de geliefde is een beeld, een sacrament kun je zeggen, van het volkomene, van het Ideaal dat oplicht in de herinnering.

 

















6 september 2017

Herman de Coninck: Vader



De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verder leven,
sereen, omdat ze niet meer zo acuut
en niet meer slechts zo heel heel even
moeten gebeuren van minuut tot minuut.

Zo ging mijn vader, sinds hij stierf
ook in mijn dromen al en paar keer dood, maar trager,
er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid,
en leeft hij toch nog verder, verder en wat vager.

Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader,
met ouwe woorden, het woord 'altegader',
het woord 'gelaat' en 'schoot' (van ons gezin) en 'schoon';

Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven
in de dromen van mijn zoon,
Tot ik gewoon blijf leven.

uit: De gedichten (1998)




















Vooraf

De opzet van mijn blog was via analyse te achterhalen wat poëzie is en waar ze zich mee bezig houdt. Na het analyseren van een stuk of wat gedichten zou ik daar wel inzicht in krijgen. Maar na  zo'n 90 gedichten blijkt het nog steeds moeilijk te omschrijven wat poëzie is en doet.

Natuurlijk is het inmiddels wel duidelijk geworden dat het eenduidige antwoord op mijn vragen er niet in zit. Maar in veel gedichten blijft mij één aspect bezig houden. Poëzie heeft een hang naar een bestaan buiten de tijd. Een neiging om de tijd stil te laten staan of te vereeuwigen. In de verbeelding wordt een moment ontworpen waarop je buiten de tijd raakt en in een andere meer blijvende wereld verblijft.

In dit gedicht van Herman de Coninck, dat mij door een vriendelijke muze werd toegestuurd, gaat het ook weer over die blijvende wereld buiten de tijd.

Analyse

Het gedicht is in de vorm van een sonnet geschreven. Een modern sonnet, dat zich dus wel enige vrijheden veroorlooft, maar toch een rijmschema volgt. De opbouw is eenvoudig. In de eerste strofe stelt de dichter dat dingen die voorbijgaan niet echt voorbijgaan. In de tweede en derde strofe beschrijft de hij hoe dat het geval is met het beeld van zijn gestorven vader, waardoor deze voor hem blijft leven. De laatste strofe kun je als een wending beschouwen, wanneer hij die tijdsbeleving op zichzelf betrekt en de wens uitspreekt dat hij in de dromen van zijn zoon zal blijven terugkeren, tot hij gewoon blijft leven.

De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verder leven,
sereen, omdat ze niet meer zo acuut
en niet meer slechts zo heel heel even
moeten gebeuren van minuut tot minuut.

De eerste versregel is al direct het centrale thema van het gedicht. Je kunt het een paradox noemen, een stelling die tegen de gangbare logica ingaat. De dichter stelt dat wat voorbij is niet voorbij hoeft te zijn. Daarmee geeft hij aan dat je de dingen op twee verschillende manieren kunt beleven. Hij maakt een onderscheid tussen het onmiddellijk acuut ervaren van de dingen van minuut tot minuut en een rustiger serener beleven van wat gebeurt. Dat houdt twee opvattingen over tijd in. De meest gangbare is die van de kloktijd, eens door Adriaan Roland Holst gebrandmerkt als het schrikbewind van uur en feit, omdat het in zijn beperking iedere poëzie om zeep dreigt te brengen. Maar de dichter verwijst hier naar een ruimere tijdsbeleving, waarin dingen die zijn voorbijgegaan toch blijven bestaan.

Zo ging mijn vader, sinds hij stierf
ook in mijn dromen al en paar keer dood, maar trager,
er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid,
en leeft hij toch nog verder, verder en wat vager.

Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader,
met ouwe woorden, het woord 'altegader',
het woord 'gelaat' en 'schoot' (van ons gezin) en 'schoon';

Het beginwoord zo leidt de verklaring in van wat in de eerste strofe nog in het algemeen werd gesteld, namelijk: dat dingen die voorbij zijn, rustig verder blijven leven. De dichter komt tot die vaststelling door wat hij heeft meegemaakt na de dood van zijn vader, die sinds hij stierf steeds weer voor hem aanwezig blijkt en verder blijft leven.
Die ervaring blijkt vooral in dromen plaats te vinden. Dus in gebieden van het bewustzijn die zich onttrekken aan de acute tijdsbeleving. Dat is ook het gebied van de poëzie. De dichter overkomt het min of meer, nu hij in de slaap geen controle meer kan uitoefenen over zijn bewustzijn en de beelden die daarin worden opgeroepen. In dat bewustzijn blijken de dingen niet voorbij te gaan. Ze komen terug. Het beeld van de vader staat dan ook buiten de tijd. Zoals hij vaststelt: hij neemt er niet de tijd voor, maar een eeuwigheid.

Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven
in de dromen van mijn zoon,
Tot ik gewoon blijf leven.

In dit gedicht blijkt het sterven van de vader geen definitief feit. In de droom van de dichter is de dood niet absoluut. De vader kan daar verschillende keren sterven om toch gewoon te blijven leven. Wanneer de dichter dit ook voor zichzelf wenst waagt hij de veronderstelling dat dit uitbreidbaar is en wel eens algemeen zou kunnen gelden.

Je bent in eerste instantie geneigd het gedicht zo te lezen dat de dichter zijn voortbestaan afhankelijk ziet van de herinnering van zijn nabestaanden, in dit geval zijn zoon, zoals men wel zegt: hij zal in onze herinnering blijven leven. Maar de herinnering is gebonden aan de tijd en je kunt er zeker van zijn dat die met de tijd zal verdwijnen.

Wanneer het in dit gedicht gaat om het blijven leven in de droom verwijst dat naar een andere dimensie. De droom staat als het ware buiten de tijd. Ook is de droom autonoom. De droom van het blijven leven is immers niet afhankelijk van degene die zich herinnert. Het overkomt hem als dromer vanuit een dimensie waar hij geen macht of controle meer over heeft. Vandaar de verwachting van de dichter dat hij ten leste zoals zijn vader gewoon zal blijven leven.