7 augustus 2016

Paul Verbruggen: Verspil niet het geluk



Verspil niet het geluk
dat schroomvol in uw handen werd gelegd
en jaag de kleine vlinder niet
die argloos langs uw anjers strijkt.
En waak, zeg, waak
wanneer een mond zich brandend in uw haar klemt
dat niet uw woord
voorbij geurt met de wind.
Wanneer gij wandelt langs de haag
die dik van jonge bloesems staat,
niet voor de dorens, kind,
maar voor de bloesems zelve,
laat ze staan.

uit de nalatenschap van de Vlaamse dichter Paul Verbruggen












Analyse
Dit gedicht gaat over geluk. Geluk is een moeilijk te omschrijven begrip. De dichter Kopland brak er zich het hoofd over in zijn gedicht: Wat is geluk?
In dit verband is geluk iets wat je niet helemaal zelf in de hand hebt. De dichter gaat ervan uit dat het je gegeven wordt. Het wordt je schroomvol in de handen gelegd. Waar dit geschenk van komt blijft weliswaar buiten beschouwing, maar het moet wel een hemelse gave zijn, die je dus onwillekeurig overkomt.

De manier waarop het geluk wordt geschonken is schroomvol. Nu is schroom een woord dat in onze contreien niet veel meer wordt gebruikt of het moest zijn in omgekeerde zin, wanneer iemand onbeschroomd, dus zonder de minste gêne zijn gang gaat. In schroomvol zit iets van voorzichtigheid, alsof geschenk breekbaar is en verloren kan gaan, als je niet goed uitkijkt.

De schroomvolle manier waarop geluk wordt gegeven vraagt daarom van degene die het ontvangt, dat hij of zij het ook schroomvol behandelt. Dat wil zeggen met eerbied en respect ermee omgaat om het niet te verspillenVerspillen duidt er op dat je iets achteloos er doorheen jaagt en verbruikt. Daardoor zou je de kans op geluk kunnen verspelen. Het gaat er dus om spaarzaam met die gave om te gaan en, zoals mijn vriendelijke muze mij ingaf, het te koesteren. Want wat je koestert, aan het hart drukt en liefderijk verzorgt, verlies je niet snel.

De dichter geeft zijn goede raad aan iemand die hij aanspreekt met kind. Het ligt voor de hand dat die persoon jonger moet zijn en met minder ervaring dan hij zelf. Hij zou het als vader kunnen schrijven voor zijn nog jonge zoon of dochter, zoals vaders nu eenmaal hun kinderen een richting willen wijzen en behoeden voor misstappen. Maar zijn raad kan natuurlijk aan iedereen, dus ook aan de lezer gericht zijn.

De raad om het geluk niet te verspillen wordt hier in drie beelden verduidelijkt. Het zijn beelden die illustreren wat je niet zou moeten doen, wanneer je respectvol met je geluk wilt omgaan. Dat vereist een zekere terughoudendheid, die schroom dus om het wonder van de natuur der dingen geen geweld aan te doen. De vlinder niet wegjagen, de bloesem niet plukken suggereren dat je rekening moet houden met het leven van wat je omgeeft en het niet impulsief geweld aan zou moeten doen. Maar het vereist ook dat je het goede antwoord weet op de mond die zich brandend in je haar klemt, zodat je niet lichtvaardig met de hartstocht omspringt.


De dichter veronderstelt dat geluk een geschenk is, dat je niet helemaal zelf in de hand hebt. Maar tegelijkertijd veronderstelt hij dat je veel kunt doen om het geluk te behouden, wanneer het je eenmaal in de handen is gelegd

1 mei 2016

Wim Brands: In den beginne was er een verhaal



In den beginne was er een verhaal over vertrekken
dat hij op een regenachtige maandagochtend
vertelde.

Hij huilde niet, jij ook niet, hij sprak alsof
hij je wilde bedanken, jou, omdat er
niemand anders was.

En toen was hij dan echt vertrokken.
Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij
te zeggen, ik ben de woestijn in,

naar het poolijs, op zoek naar God die
uiteindelijk de beste verhalen kent;
en mocht hij slapen

dan weet ik dat hij ook dan
onophoudelijk aan poëzie denkt.

Uit: 's Middags zwem ik in de Noordzee (2014)


Analyse

Het gedicht heeft geen titel en begint met In den beginne. Dat is niet zomaar een begin. Het roept associaties op met Bijbelse teksten. De aanhef van het boek Genesis en van de Proloog van het Johannes-evangelie, de aanhef dus van scheppingsverhalen. In die Proloog luidt de tekst: In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God. Het Woord wordt daar gezien als de schepper van alles. Ook het menselijke woord, kan scheppen, en wel in de vorm van verhalen.

Dat is ook het geval met de aanhef van dit gedicht: In den beginne was er een verhaal over vertrekken. In eerste instantie blijft het nog vaag wie de persoon is aan wie hij het verhaal vertelt wordt en hoe je dat vertrekken moet invullen. Die jij aan wie de verteller zijn verhaal vertelt moet wel de dichter zelf zijn, omdat er niemand anders was. Hij is het die zich ik noemt in de laatste strofe. De sfeer is niet om vrolijk van te worden. Dat wordt door de regenachtige maandagochtend tastbaar. Het verhaal van het vertrek heeft dan ook iets triests. De suggestie is dat je er eigenlijk om zou moeten huilen, hoewel beiden erin slagen de ogen droog houden.  De verteller die kennelijk iemand heeft gezocht om zijn plan toe te vertrouwen spreekt dan ook alsof hij zijn toehoorder wilde bedanken.

Hoe je dat vertrekken moet verstaan is niet onmiddellijk duidelijk. Tussen de eerste twee strofen van het gedicht en de volgende drie ligt een tijdsverschil. In den beginne is er het plan om te vertrekken, in het vervolg gaat het over de voltrekking daarvan. Vertrekken moet hier wel een beeld zijn van uit dit leven stappen. Dat verlangen om te vertrekken zou erop kunnen wijzen dat de verteller zijn leven ziet als een tocht naar zijn oorsprong, een weer terugkeren naar het begin, naar het vaderland waar hij in den beginne was.

En toen was hij dan echt vertrokken.

Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij

te zeggen, ik ben de woestijn in,

 

naar het poolijs, op zoek naar God die

uiteindelijk de beste verhalen kent;

en mocht hij slapen

 

dan weet ik dat hij ook dan

onophoudelijk aan poëzie denkt.

De vanzelfsprekende overgang in het gedicht van plan naar daad wekt de indruk dat het vertrek als iets vanzelfsprekends moet moet worden voorgesteld. De dichter vraagt de lezer dan ook er niet te moeilijk over te doen en zich geen zorgen te maken over de plaats waar hij heen is. Opvallend is wel dat hij gebieden noemt die leeg en eindeloos lijken zoals de woestijn en het poolijs.

Dat gebied is in ieder geval van een geheel andere aard dan zijn aardse leven. Het is het gebied waar God woont, die ook het Woord is, dat in den beginne was. Dit goddelijke Woord kent de verhalen bij uitstek. De gestorvene zit daar dus goed. De dichter, die zich met de gestorvene vereenzelvigt, is daar gerust over en zelfs, mocht hij als gestorvene slapen, ook dan zal hij in zijn droom onophoudelijk aan poëzie denken.