6 september 2017

Herman de Coninck: Vader



De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verder leven,
sereen, omdat ze niet meer zo acuut
en niet meer slechts zo heel heel even
moeten gebeuren van minuut tot minuut.

Zo ging mijn vader, sinds hij stierf
ook in mijn dromen al en paar keer dood, maar trager,
er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid,
en leeft hij toch nog verder, verder en wat vager.

Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader,
met ouwe woorden, het woord 'altegader',
het woord 'gelaat' en 'schoot' (van ons gezin) en 'schoon';

Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven
in de dromen van mijn zoon,
Tot ik gewoon blijf leven.

uit: De gedichten (1998)




















Vooraf

De opzet van mijn blog was via analyse te achterhalen wat poëzie is en waar ze zich mee bezig houdt. Na het analyseren van een stuk of wat gedichten zou ik daar wel inzicht in krijgen. Maar na  zo'n 90 gedichten blijkt het nog steeds moeilijk te omschrijven wat poëzie is en doet.

Natuurlijk is het inmiddels wel duidelijk geworden dat het eenduidige antwoord op mijn vragen er niet in zit. Maar in veel gedichten blijft mij één aspect bezig houden. Poëzie heeft een hang naar een bestaan buiten de tijd. Een neiging om de tijd stil te laten staan of te vereeuwigen. In de verbeelding wordt een moment ontworpen waarop je buiten de tijd raakt en in een andere meer blijvende wereld verblijft.

In dit gedicht van Herman de Coninck, dat mij door een vriendelijke muze werd toegestuurd, gaat het ook weer over die blijvende wereld buiten de tijd.

Analyse

Het gedicht is in de vorm van een sonnet geschreven. Een modern sonnet, dat zich dus wel enige vrijheden veroorlooft, maar toch een rijmschema volgt. De opbouw is eenvoudig. In de eerste strofe stelt de dichter dat dingen die voorbijgaan niet echt voorbijgaan. In de tweede en derde strofe beschrijft de hij hoe dat het geval is met het beeld van zijn gestorven vader, waardoor deze voor hem blijft leven. De laatste strofe kun je als een wending beschouwen, wanneer hij die tijdsbeleving op zichzelf betrekt en de wens uitspreekt dat hij in de dromen van zijn zoon zal blijven terugkeren, tot hij gewoon blijft leven.

De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verder leven,
sereen, omdat ze niet meer zo acuut
en niet meer slechts zo heel heel even
moeten gebeuren van minuut tot minuut.

De eerste versregel is al direct het centrale thema van het gedicht. Je kunt het een paradox noemen, een stelling die tegen de gangbare logica ingaat. De dichter stelt dat wat voorbij is niet voorbij hoeft te zijn. Daarmee geeft hij aan dat je de dingen op twee verschillende manieren kunt beleven. Hij maakt een onderscheid tussen het onmiddellijk acuut ervaren van de dingen van minuut tot minuut en een rustiger serener beleven van wat gebeurt. Dat houdt twee opvattingen over tijd in. De meest gangbare is die van de kloktijd, eens door Adriaan Roland Holst gebrandmerkt als het schrikbewind van uur en feit, omdat het in zijn beperking iedere poëzie om zeep dreigt te brengen. Maar de dichter verwijst hier naar een ruimere tijdsbeleving, waarin dingen die zijn voorbijgegaan toch blijven bestaan.

Zo ging mijn vader, sinds hij stierf
ook in mijn dromen al en paar keer dood, maar trager,
er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid,
en leeft hij toch nog verder, verder en wat vager.

Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader,
met ouwe woorden, het woord 'altegader',
het woord 'gelaat' en 'schoot' (van ons gezin) en 'schoon';

Het beginwoord zo leidt de verklaring in van wat in de eerste strofe nog in het algemeen werd gesteld, namelijk: dat dingen die voorbij zijn, rustig verder blijven leven. De dichter komt tot die vaststelling door wat hij heeft meegemaakt na de dood van zijn vader, die sinds hij stierf steeds weer voor hem aanwezig blijkt en verder blijft leven.
Die ervaring blijkt vooral in dromen plaats te vinden. Dus in gebieden van het bewustzijn die zich onttrekken aan de acute tijdsbeleving. Dat is ook het gebied van de poëzie. De dichter overkomt het min of meer, nu hij in de slaap geen controle meer kan uitoefenen over zijn bewustzijn en de beelden die daarin worden opgeroepen. In dat bewustzijn blijken de dingen niet voorbij te gaan. Ze komen terug. Het beeld van de vader staat dan ook buiten de tijd. Zoals hij vaststelt: hij neemt er niet de tijd voor, maar een eeuwigheid.

Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven
in de dromen van mijn zoon,
Tot ik gewoon blijf leven.

In dit gedicht blijkt het sterven van de vader geen definitief feit. In de droom van de dichter is de dood niet absoluut. De vader kan daar verschillende keren sterven om toch gewoon te blijven leven. Wanneer de dichter dit ook voor zichzelf wenst waagt hij de veronderstelling dat dit uitbreidbaar is en wel eens algemeen zou kunnen gelden.

Je bent in eerste instantie geneigd het gedicht zo te lezen dat de dichter zijn voortbestaan afhankelijk ziet van de herinnering van zijn nabestaanden, in dit geval zijn zoon, zoals men wel zegt: hij zal in onze herinnering blijven leven. Maar de herinnering is gebonden aan de tijd en je kunt er zeker van zijn dat die met de tijd zal verdwijnen.

Wanneer het in dit gedicht gaat om het blijven leven in de droom verwijst dat naar een andere dimensie. De droom staat als het ware buiten de tijd. Ook is de droom autonoom. De droom van het blijven leven is immers niet afhankelijk van degene die zich herinnert. Het overkomt hem als dromer vanuit een dimensie waar hij geen macht of controle meer over heeft. Vandaar de verwachting van de dichter dat hij ten leste zoals zijn vader gewoon zal blijven leven.






26 juli 2017

Frans Budé: Oever


De aanzet tot het niet-zijn. Straks
geen kleren meer als men meereist
met de sterren boven het ijs de over-

zijde tegemoet, de allerverste winter in
waarin men aanlegt naast een veld
van sneeuw. Het helder wordend
licht dat invliegt, dat men spelt,

onafgebroken lezend in de palm
van zijn hand. Men verstaat wat wij
wilden toen nog geen ruis van overkant
de schelp streelde, het woord niet ving

dat zong: Oever! Aankomst! Weelde!

Uit: In Remersdaal. Gedichten 1997











Vooraf
Wat mij betreft zou poëzie altijd iets filosofisch moeten hebben. Ik bedoel dat ze iets moet verbeelden van het menselijke bestaan als zodanig en zich niet alleen zou moeten beperken tot het particuliere en anekdotische. Kortom: ik houd van poëzie die het bestaan als zodanig tot onderwerp neemt en zijn grenzen probeert te verkennen en er zelfs overheen probeert te kijken. Dit gedicht van Frans Budé doet dat naar mijn mening. De titel van zijn laatste bundel Achter het verdwijnpunt is wat dat betreft veelzeggend.

 Analyse

De titel Oever geeft een grens aan. Oever verwijst al woordelijk naar de overkant. In dit geval het gebied aan de andere kant van dit bestaan. De dichter noemt dat het niet-zijn. Hij wil weten wat achter die toestand is die wij dood noemen. Of nauwkeuriger gezegd  hoe die overgang is van het zijn naar het niet-zijn.

Die overgang is ingrijpend te noemen. De verwachting dat men geen kleren meer heeft duidt er op dat men werkelijk alles moet achterlaten. Het is een barre tocht naar de leegte, die wordt voorgesteld als de oneindige ruimte van het sterrenstelsel. De dood is hier echt het allerlaatste seizoen. De reiziger moet de allerverste winter in voordat hij aanlegt naast een veld van sneeuw.

Is het de witheid en puurheid van de sneeuw die de wending brengt in dit gedicht en daarmee in het perspectief van de reiziger? Want vanaf dat moment is hij gericht op het helder wordend licht dat invliegt.

De reiziger is nu onafgebroken bezig dat naderende licht te lezen. Hij herinnert zich immers de spreuk dat God zijn mensen niet in de steek laat, maar hen geschreven heeft in de palm van zijn hand*. Hoe kan hij dit anders lezen dan dat die goddelijke hand hem in die eindeloze ruimte niet laat vallen, maar zal opvangen? Maar daarvoor moet hij onafgebroken die belofte blijven spellen.

De dichter heeft er kennelijk vertrouwen in dat zijn diepste verwachtingen nu zullen uitkomen sinds hij vroeger als kind de schelp beluisterde in het verlangen iets op te vangen van die overkant. Toen hoorde hij vaag geruis en verstond nog niet wat die belofte inhield. Maar nu verstaat hij het. Het moet zijn: Oever! Aankomst! Weelde!

*Ik vergeet u nooit! Kijk, ik heb u in mijn handpalm geschreven. (Jesaja 49:13-16)