10 juli 2014

P.C.Boutens: De smalle ring



De smalle ring, de gouden band
Schendt niet de naaktheid van uw hand,
Gelijk uw stralend lijf niet weet
De schaduw van zijn donkre kleed:

Uw stralend lichaam lijdt noch weet
De schaduw van zijn donker kleed,
Zooals geen lijf of stof bezwaart
De ziel die door uw oogen klaart:

Geen aardsche lijf, geen stof bezwaart
De ziel die door uw oogen klaart,
Als smalle ring, als gouden band
Niet schendt de naaktheid van uw hand.

uit: Vergeten liedjes (1909)




Vooraf
Wanneer je bovenstaand gedicht een vergeten liedje noemt, dan is het een liefdesliedje dat niet vergeten mag worden. De vrouw die het betreft mag blij zijn op deze manier het hof gemaakt te worden. Wat vooral boeit is de speciale manier waarop de dichter dit doet.

Analyse

De smalle ring, de gouden band
Schendt niet de naaktheid van uw hand,

Het gedicht heeft als titel De smalle ring. Dat is het uitgangspunt en tegelijk ook het eindpunt. Want de twee beginregels die uitgaan van de smalle ring keren op het eind weer terug. Zo vormen ze ook zelf een soort ring of band die de inhoud van het gedicht omsluit.

Een ring heeft iets geslotens. Dat houdt een zekere beperking in. Net zo overigens als het beeld van de band. Omdat het kennelijk om een gouden ring gaat, mogen we aannemen dat de ring duidt op een verbintenis en dat de vrouw tot wie de dichter zich richt getrouwd is.


Uit het gedicht blijkt dat de dichter de vrouw wil complimenteren met haar schoonheid. Het is opmerkelijk dat de ring en dus de huwelijksband hier in eerste instantie een beperkende factor is. Door te zeggen dat de ring de naaktheid van haar hand niet schaadt suggereert hij dat de ring juist  de volle schoonheid van haar hand nog meer doet uitkomen.


De manier waarop de dichter zijn liefde betuigt kun je indirect noemen. De ring wordt gebruikt om het over de hand te hebben in de verwachting dat het mindere het meerdere des te meer laat uitkomen.

In de loop van het gedicht blijkt dat de dichter dit indirecte compliment in drie etappes maakt. In iedere etappe wordt een verhullende beperking terzijde geschoven om de ware schoonheid te onthullen.

Gelijk uw stralend lijf niet weet

De schaduw van zijn donkre kleed:

Zoals de ring is ook het donkre kleed een tweede beperking en verhulling van haar ware schoonheid. Meer en meer wordt duidelijk dat de schaduw van haar donkre kleed als tegenhanger moet dienen voor de volle schoonheid van haar stralend lijf.

Zooals geen lijf of stof bezwaart

De ziel die door uw oogen klaart:

Maar ook haar stralend lijf is een etappe in het onthullen van haar ware schoonheid. Meer nog dan haar lijf is het haar ziel die de dichter treft via de klaarheid van haar ogen.


Geen aardsche lijf, geen stof bezwaart

De ziel die door uw oogen klaart,

Als smalle ring, als gouden band

Niet schendt de naaktheid van uw hand.

Er zit in de drie etappes waarin de schoonheid van de geliefde wordt gesuggereerd, een opgaande lijn van een lichamelijke naar een geestelijke schoonheid. Maar de twee laatste regels buigen die lijn weer terug naar het begin, waardoor de ring rond wordt.

De herhaling van de paren versregels maakt het gedicht tot een lied met refreinen. Het effect van die herhaling is eenheid. Heel haar schone lichaam wordt daardoor tot een bezield geheel.  Hand, lijf en ogen, ademen haar schone ziel.
 


6 juli 2014

Charles Baudelaire: A une passante


La rue assourdissante autour de moi hurlait.
Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,
Une femme passa, d'une main fastueuse
Soulevant, balançant le feston et l'ourlet ;

Agile et noble, avec sa jambe de statue.
Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,
Dans son œil, ciel livide où germe l'ouragan,
La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

Un éclair... puis la nuit ! - Fugitive beauté
Dont le regard m'a fait soudainement renaître,
Ne te verrai-je plus que dans l'éternité ?

Ailleurs, bien loin d'ici ! trop tard ! jamais peut-être !
Car j'ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,
Ô toi que j'eusse aimée, ô toi qui le savais !

Uit : Les Fleurs du mal 1857



Aan een voorbijgangster

De straat rondom mij was vervuld van oorverdovend leven.
Groot, slank, gekleed in rouw, met droeve majesteit,
Ging mij een vrouw voorbij, die met een fraaie hand
De schulprand van haar rok oplichtte en liet dalen;

Soepel en vol gratie, haar been een beeldhouwwerk. 
Ik, als een dwaas verstard, dronk uit haar ogen,
Als een loden lucht waarin storm kan ontstaan, 
De zoetheid die betovert en het genot dat doodt.

Een bliksemflits…dan duister!..  – Vluchtige schoonheid,
Wier blik mij plotseling weer deed geboren worden,
Zal ik je ooit nog zien, nog vóór de eeuwigheid?

Elders, ver weg van hier! te laat! of nooit misschien!
Want ik weet niet waarheen jij vlucht, jij niet waarheen ik ga,
O jij die ik beminnen zou, o jij die dat goed wist!

Analyse

De straat rondom mij was vervuld van oorverdovend leven…
Het rumoer en de drukte van de grote stad, zoals Parijs al was in die dagen, is het kader waarin de dichter zijn poëtische ervaring wil plaatsen. Het wonder van die plotselinge ontmoeting moet binnen een alledaagse en prozaïsche omgeving plaatsvinden. Te midden van het lawaai en geschreeuw is er de stilte van dit unieke moment waarin alles verstomt.

Aan een voorbijgangster is de terechte titel, omdat in de grote stad de mensen anoniem en als vreemden zich langs elkaar heen bewegen, ieder naar een eigen voor de ander onbekend doel. Wanneer de dichter in de menigte langs de Parijse boulevards flaneert gaan duizenden van dit soort voorbijgangers onopgemerkt aan hem voorbij, totdat plotseling deze ene vrouw voor hem gestalte en gezicht gaat krijgen.

Groot, slank, gekleed in rouw, met droeve majesteit,
Ging mij een vrouw voorbij, die met een fraaie hand
De schulprand van haar rok oplichtte en liet dalen;
Soepel en vol gratie, haar been een beeldhouwwerk. 

In het voorbijgaan van deze vrouw gaat de waarneming van de dichter in etappes. Eerst wordt hij getroffen door haar uiterlijke verschijning, de majesteit van haar gestalte.

Dan valt ineens ook het dubbele in haar verschijning op. Haar zwarte strenge kleding straalt droefheid uit, waarschijnlijk rouw om een verloren geliefde. Maar tezelfdertijd toont zij in haar beweging ook iets frivools door de zoom van haar rok in een soort dansende beweging steeds omhoog lichten en te laten zakken, waardoor de toeschouwer regelmatig zicht krijgt op haar welgevormde benen.

Ik, als een dwaas verstard, dronk uit haar ogen,
Als een loden lucht waarin storm kan ontstaan, 
De zoetheid die betovert en het genot dat doodt.

Ten slotte zijn het hun ogen die elkaar vinden. Dat is het cruciale moment waarop de dichter door haar blik wordt getroffen en verstart als iemand die zijn zinnen verliest. Hij kan niet anders dan die blik drinken, dat wil zeggen totaal in zich opnemen en zich daarin verliezen.
Ook hier weer leest hij iets dubbels in haar ogen. Wat hem trekt is die mengeling van betoverende zoetheid en dodelijke genieting.

Een bliksemflits…dan duister!..  – Vluchtige schoonheid,
Wier blik mij plotseling weer deed geboren worden,
Zal ik je ooit nog zien, nog vóór de eeuwigheid?

De blik van de vrouw wordt ervaren als een bliksemflits. Het is een even intuïtief zien van een schoonheid die altijd al als ideaal in het bewustzijn aanwezig was, maar nu door die blik wordt gewekt. Dat maakt dat de dichter zich door deze blik geboren voelt worden. Maar even snel is het licht van die ervaring ook weer verdwenen in het duister.

Het aparte aan de ontmoeting van twee voorbijgangers vormt het feit dat het vluchtig is. Er is geen voortzetting. En degene die door de ander getroffen is moet het doen met dit ene wonderlijke ogenblik. Elkaar weerzien is onwaarschijnlijk. Het is het moment van deze ervaring die in het geheugen achterblijft.

Deze ervaring is voor de dichter duidelijk meer dan een oppervlakkige verliefdheid. Hij vindt in haar het ideale beeld van de schoonheid. En de vraag is of hij zijn ideaalbeeld niet op haar projecteert. Ze is voor hem de schoonheid zelf, een godin aan wie hij zich geheel en al wil overgeven, maar wel een godin met fatale trekken, die zowel Hemel als Hel beloven.

Elders, ver weg van hier! te laat! of nooit misschien!
Want ik weet niet waarheen jij vlucht, jij niet waarheen ik ga,
O jij die ik beminnen zou, o jij die dat goed wist!

De dichter weet dat het voorbijgaan van zijn godin onherroepelijk is. En daarmee is duidelijk dat zijn liefde voor haar nooit gerealiseerd zal worden. Naast het ideaal is er het bewustzijn dat hij het ideaal nooit zal bereiken.

Het is de moeite waard te achterhalen wat zich in het bewustzijn van de voorbijgangster heeft afgespeeld. Vooral door de opmerking van de dichter: o jij die dat goed wist. Wat wist de voorbijgangster goed? Allereerst herkende ze in de blik van de dichter, in zijn verstarring en betovering, de mogelijkheid van een hartstochtelijke amoureuze verhouding. Maar ze wist waarschijnlijk ook dat ze nooit geheel zou kunnen beantwoorden aan het ideaal dat hij haar in zijn blik toedichtte. Dus ze wist ook dat deze ontmoeting slechts voor een moment gold en daarom ging ze voorbij, de dichter met zijn ideaalbeeld tot de eeuwigheid verweesd achterlatend