13 april 2014

Leo Vroman: Twee psalmen







Vooraf
Van de Twaalf Psalmen die Leo Vroman schreef koos ik er twee uit, Psalm I en Psalm V, omdat ik nieuwsgierig ben wat voor nieuws hij toevoegt aan dit poëtische genre. Wie psalmen schrijft voegt zich in een eeuwenoude traditie, die teruggaat op de Bijbelse psalmen, die aan koning David werden toegeschreven. Iedere tijd heeft er door vertaling of her-dichting een nieuwe interpretatie aan gegeven en het lijkt me de moeite waard na te gaan in hoeverre Leo Vroman zich invoegt in die religieuze traditie of er zich van onderscheidt.
  
Psalm 1

Systeem! Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
hij die in u een mens ontwaart
misvormt u naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.


Systeem, ik noem u dus geen God,
geen Heer of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt.


Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,
aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.

uit: Psalmen en andere gedichten 1995.


Analyse
In oorsprong was de psalm een gedicht dat gezongen werd en door muziek begeleid. In de loop der tijd is de nadruk komen te liggen op de psalm als geschreven tekst, hoewel daarnaast het zingen van psalmen nog steeds een rol vervult in kerkelijk verband.

In overeenstemming met die oorspronkelijke vorm heeft de psalm ook een bepaalde traditionele inhoud. Hij is op de eerste plaats een lofzang, een lied om Gods grootheid te loven en zijn wonderen te bezingen. Maar daarvan afgeleid vormt het ook een gebed in nood, waarin de mens God om hulp en bescherming vraagt. Mijn vraag is: In hoeverre is dat ook bij de Psalmen van Leo Vroman het geval?

Systeem! Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
hij die in u een mens ontwaart
misvormt u naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.

Dat we hier met een andere psalm te maken hebben dan de traditionele, blijkt al direct, wanneer de dichter de instantie tot wie hij zich richt geen God of Heer wenst te noemen, maar Systeem met een hoofdletter en een uitroepteken. Systeem zal in zijn Psalmen een sleutelwoord worden van waaruit de dichter het mysterie van zijn eigen wezen en van de wereld beleeft.

Als lezer ondervind je in eerste instantie weerstand bij deze aanroeping. Ze heeft zo’n onpersoonlijke, technische en daarom prozaïsche bijklank. Systeem duidt in het algemeen op een samenstel van delen die volgens een bepaald beginsel zijn geordend. 
Maar goed beschouwd hoeft die term niet per se geassocieerd te worden met door mensen ontworpen technische constructies. Al in het begin laat de dichter zien dat de mens geen maat is voor dit Mysterie en dat hij het niet naar zijn eigen aard moet misvormen. Zijn argument is dat de mens zijn eigen aard niet kent. Als de kennis van de eigen aard al een mysterie is, hoeveel te meer moet men dan op zijn hoede zijn het absolute Mysterie met menselijke beelden te benoemen.

Maar we weten dat de dichter ook een wetenschapper is en wel bioloog. Het ligt daarom voor de hand dat hij aansluit bij systemen in zijn vakgebied, systemen die niet door de mens ontworpen zijn, maar die leven en in de natuur gevonden worden.

Allereerst kun je de mens zelf zien als zo’n levend systeem. Al zijn organismen zijn op een wonderlijke manier op elkaar geordend en vormen een eenheid. Het opmerkelijke van dit soort levende systemen is dat ze niet gesloten zijn maar weer functioneren binnen een groter systeem.

Zo is de mens weer afhankelijk van het milieu en zijn wetmatigheden. Maar ook het milieu is weer afhankelijk van externe krachten, zodat je uiteindelijk uitkomt bij de wetten van hemellichamen en melkwegen. Zo gezien is het heelal één groot samenhangend Systeem, dat op een wonderlijke manier geordend is en ordent. Dat verklaart waarom dit geheel kosmos wordt genoemd, een woord dat in het Grieks orde of ordening betekent.

Systeem, ik noem u dus geen God,
geen Heer of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt.


De dichter wenst voor dit Mysterie geen menselijke beelden te gebruiken. Zelfs ieder ander Woord zou afbreuk doen aan het totaal. De term Systeem moet voorkomen dat aan die opperste instantie menselijke handelingen worden toegekend zoals: geven, gebieden, wreken of iets dergelijks. Systeem is hier dus geen op mensen lijkend Persoon, die als rechtvaardiging kan worden aangeroepen voor een menselijke moraal of strijd. 

Met het afwijzen van de termen Heer en Woord distantieert de dichter zich ook van Bijbelse godsbeelden. In ieder geval is hier een spanning merkbaar tussen het traditionele wereld- en godsbeeld en dat van de dichter die ook natuurwetenschapper is en dat wereldbeeld in zijn psalmen kennelijk wenst te betrekken.

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,
aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.

Wanneer om het Mysterie aan te roepen geen beelden kunnen worden gebruikt, die aan de mens zijn ontleend en Systeem een Lijf is dat op niets gelijkt, zou je veronderstellen dat dit een geweldige afstand schept tussen de dichter en de instantie die hij aanroept. Maar het tegendeel blijkt het geval. Meer dan door de beelden Heer en God, die om zo te zeggen buiten zijn wereldbeeld blijven, voelt de dichter zich hier juist diep door het Systeem bereikt. Dat moet wel betekenen dat hij zichzelf ervaart als deelhebbend aan en bezield door het Systeem. Meer nabij kan het Systeem voor hem dan ook niet zijn.

Systeem is dus geen naam zoals alle andere namen. Het is een uiterste Naam. Het is het ordenende principe van de Natuur zelf die voortdurend in alles werkzaam is en dus ook de dichter in zijn leven, in het verstrijken van zijn tijd, tot in de dood bezielt.

Wanneer de dichter zijn Psalm besluit met: ben ik nog meer van U, blijkt dat hij Systeem in tweede instantie toch ervaart als een Persoon, maar dan een persoon die min of meer identiek is met de Natuur, althans met de bezielende kracht die zich in de Natuur manifesteert. De dichter vertrouwt zich aan het Systeem toe, in de verwachting dat hij er voor altijd steeds intensiever deel van zal uitmaken.

Voorlopige conclusie

Ik vroeg mij af in hoeverre deze psalm zich onderscheidt van het gangbare genre. Het gangbare wereld- en godsbeeld wordt op twee manieren uitgebreid. Allereerst wendt de dichter zich niet tot een Heer die zijn schepping van buiten beheert, maar tot een kracht die binnen deze schepping voortdurend creatief aanwezig is. Hij noemt die kracht Systeem als het uiterste principe van ordening in de Natuur. Daarmee incorporeert hij zijn natuurwetenschappelijk wereldbeeld binnen zijn psalm.

Van de andere kant gaat hij er in zijn psalm van uit dat dit Natuursysteem meer is dan een blind mechanisme. Hij ervaart het als een levende creatieve kracht, tot wie hij zich als een U, een aanspreekbare Persoon kan richten.



Psalm V

Systeem! Is dit een tweegesprek
of een met U alleen?
Vertel mij dan wie ik ontdek
als ik mijn armen tot u strek
en om mijn schouders heen.

Want soms ben ik uit pure nood
Uw jongste of zwakste kind
en wil zo vreselijk op Uw schoot
desnoods de kleine billen bloot
bemoederd en bemind,

dan weer hoor ik Uw adem zacht
suizen tussen mijn slapen
alsof ik U pas deze nacht
in doodsnood en toch onverwacht
uit hoofdpijn heb geschapen.

Aanvaard mij daarom als een vriend
liefst onervaren, onverdiend,
maar wetend hoe ik U mis
wanneer uiteindelijk helderziend
mijn lichaam, doof en blind gegriend,
mag voelen wie U is

Ik koos nog deze psalm om na te gaan hoe de dichter zijn uitgangspunt uit de eerste Psalm in de volgende verder uitwerkt.

Analyse

Systeem! Is dit een tweegesprek
of een met U alleen?
Vertel mij dan wie ik ontdek
als ik mijn armen tot u strek
en om mijn schouders heen.

Systeem is voor de dichter geen grootheid die duidelijk is omschreven en geheel in kaart gebracht, zoals dat in de traditionele theologie het geval is. De vraag waarmee deze psalm begint wijst er op dat zijn gesprek met Systeem een verkenning is, een ontdekkingsreis in een voor hem onbekend gebied.
Daar is allereerst de onzekerheid hoe dit gesprek gevoerd wordt. Is Systeem een objectieve werkelijkheid buiten hem met wie hij een tweegesprek voert? Of is het eerder een werkelijkheid in hem die met hem een gesprek voert?
Dat laatste zou je kunnen veronderstellen, wanneer de dichter in zijn zoeken zijn armen uitstrekt, maar ook om de eigen schouders slaat. Dat bevestigt dat Systeem in hemzelf aanwezig is.

Want soms ben ik uit pure nood
Uw jongste of zwakste kind
en wil zo vreselijk op Uw schoot
desnoods de kleine billen bloot
bemoederd en bemind,

Met het woord want geeft de dichter de reden aan waarom hij zijn armen strekt en Systeem probeert te bereiken. De reden is een diepgevoeld verlangen bemoederd en bemind te worden. Dat verlangen komt voort uit een besef van eigen zwakte, dat als pure nood wordt ervaren.

Systeem wordt hier dus gezien als een soort moeder, die haar kind zou kunnen troosten. Die affectieve kant van het Systeem wordt vanuit andere zijde duidelijk, wanneer we bij voorbeeld spreken over de Natuur als Moeder. Dat wijst er op dat Systeem en Natuur nauwe verwantschap vertonen.

Daarnaast voegt de dichter zich hier uitdrukkelijk in de traditie van de psalmen, waarin vanuit de diepten om hulp en troost wordt geroepen. Voorwaarde is dat de psalmdichter de fundamentele nood van zijn bestaan erkent. Zo erkent ook hier de dichter zijn zwakte en is hij bereid desnoods met de billen bloot te gaan.

dan weer hoor ik Uw adem zacht
suizen tussen mijn slapen
alsof ik U pas deze nacht
in doodsnood en toch onverwacht
uit hoofdpijn heb geschapen.

In deze strofe beschrijft de dichter verder de aard van zijn nood. Het gaat hier om niets minder dan doodsnood. Opmerkelijk is dat de leniging van die nood als het ware uit de eigen pijn wordt geschapen. De zachte, vertroostende aanwezigheid van Systeem wordt onverwacht uit deze nood geboren.

Aanvaard mij daarom als een vriend
liefst onervaren, onverdiend,
maar wetend hoe ik U mis
wanneer uiteindelijk helderziend
mijn lichaam, doof en blind gegriend,
mag voelen wie U is

In deze psalm blijkt dat de noodzaak om Systeem aan te roepen voortkomt uit een innerlijke drang van de dichter. Zijn motieven zijn: verlangen, nood en, zoals in deze strofe, gemis. Ze zijn alle facetten van de noodzakelijke behoefte te beminnen en bemind te worden.

In Psalm I bleek dat de dichter zich diep door Systeem bereikt voelt. Maar dat is een uitgangspunt, niet een voltooid gegeven . In de laatste strofe van beide psalmen wenst, ja bidt hij, dat in de loop van de tijd die verbondenheid zal toenemen, zodat hij liefdevol geheel en al in Systeem opgenomen zal worden. Die uiteindelijke ontmoeting wordt lichamelijk gezien. Het lichaam zal uiteindelijk Systeem in zijn ware aard voelen. Je krijgt de indruk dat die uiteindelijke ontmoeting plaats zal vinden over de tijd heen, als de tijd is verstreken en het lichaam opgaat in het geliefde Systeem.

Conclusie

Zoals boven al vastgesteld, heeft Leo Vroman met zijn Psalmen een nieuw aspect aan dit genre toegevoegd. Aan de ene kant door het godsbeeld te zien als een alles doordringend Systeem dat het totaal van de schepping draagt. Van de andere kant door aan dit Systeem een persoonlijke affectieve dimensie toe te kennen, waardoor het de mens zeer nabij komt.

Ondanks dit onderscheid met de gangbare psalm, is er toch ook veel gelijkenis. Met name het besef van eigen nood waaruit de psalm als lied wordt geboren.
Daarom houdt de bede tot dit alles beheersende natuurlijke systeem impliciet ook een lofprijzing in. Een illustratie hiervan geeft de volgende psalm:

Psalm II

Systeem, Systeem, waar is mijn plaats?
Planeten wachten buitengaats,
geen Mars legt aan, geen Venus daalt.
Word ik verwacht of afgehaald?
Uw sterren keren traag maar vlug
hun puntbeeld naar Uw raadsel terug.
Hoe dicht Gij zijt hoe meer nabij
hoe meer verwart Uw oproep mij.
Uw stem herhaalt zich andermaal
waarheen ik U maar ademhaal,
kaatst in het hol van elke cel
waarin ik zelf de waarheid spel
maar laat mij hoorziek en ontheemd
en al Uw woorden zijn mij vreemd.

Zult Gij ooit zijn waar ik U prijs
in alle richtingen op reis
dan bid ik U te doen alsof
mijn stof mag paren met Uw stof.








23 februari 2014

A.Roland Holst: De vagebond



Zij wikken en wegen
hun geld en hun god,
en kanten zich tegen
mijn vluchtiger lot,
omdat ik mijn handen
en ogen leeg
door hunne landen
omdroeg, en zweeg
in hun geschillen
en ging als blind
om der eenzame wille
van sterren en wind.

Uit: Voorbij de wegen

 

 


 Vooraf

Ik vind het een verdienste van een gedicht dat het beknopt is en weinig woorden nodig heeft om te zeggen wat het te zeggen heeft. Het woord gedicht roept bij mij de associatie met dichtheid op.
Bovenstaand gedicht is in dit opzicht voorbeeldig. Het is gecondenseerd, bestaat uit één zin en heeft twaalf super korte versregels, die ieder perfect gekruist rijmen. Het gebruik van enjambementen, het doorlopen van de zin in de volgende versregel, geeft aan het gedicht een natuurlijke ritmiek, zodat het moeilijk als dreun kan worden gelezen.
De vraag is natuurlijk of het gedicht ondanks zijn beknoptheid toch een totaal beeld kan oproepen.

Analyse
De dichter kent zich in dit gedicht de rol van vagebond toe. Deze benaming is min of meer in onbruik geraakt, maar heeft qua betekenis verwantschap met wat we nu dakloze of zwerver zouden noemen. Wanneer hij dit op zichzelf toepast valt het moeilijk letterlijk te nemen. De benaming vagebond dient als beeld van een bepaalde dichterlijke bestaanswijze waarvan ook sprake is in zijn gedicht Zwerversliefde.

de opbouw
Hoewel het gedicht maar uit één zin bestaat, kun je het in twee delen verdelen: een stellend en een verklarend deel. Het tweede deel begint dan met het voegwoord omdat, dat een reden, een verklaring geeft van wat in de hoofdzin wordt gesteld.
Zij, degenen die hun geld en hun god als hoogste doel stellen, zijn gekant tegen de levenswijze van de dichter. De term gekant geeft een tegenstelling aan tussen de serieuze aanhangers van geld en god enerzijds en het vluchtiger lot dat de dichter drijft anderzijds.
In de eerste vier regels beschrijft de dichter dus de levenshouding van zijn tegenstanders, terwijl hij er in de volgende acht regels zijn eigen manier van leven tegenover stelt.

Zij wikken en wegen
hun geld en hun god,
en kanten zich tegen
mijn vluchtiger lot,


Dit eerste deel van het gedicht begint sterk. Niet in het minst door de twee eerste versregels, die een bestaan op zich verdienen en een rake karakterisering geven van een wereld, die door haar materiële bekommernis geen waarde kan hechten aan poëzie (en bijgevolg haar beoefenaars als nutteloos volk beschouwt).
Vorm en inhoud komen hier verrassend overeen. Dat is vooral door de meervoudige alliteratie bij van wikken en wegen en geld en god, waarin beide elementen de neiging hebben te versmelten en min of meer identiek te worden: geld wordt god en god wordt geld.

Door geld voorop te stellen wordt god als het ware meegetrokken in de bekommernis om het geld. Daarom verdient god hier dan ook geen hoofdletter. Dat wordt nog eens onderstreept door die bekommernis als wikken en wegen te zien. Dat wekt in eerste instantie de indruk van een gewichtige en serieuze bezigheid, maar er zit ook een element van berekening in. Dat is het afwegen van voor- en nadelen en het compromis niet schuwen.
Dat wikken en wegen is de wereld van de handel in zijn meest ruime zin, die graag god aan haar zijde wil hebben, maar ook bereid is hem omwille van het gewin te verloochenen.

omdat ik mijn handen
en ogen leeg
door hunne landen
omdroeg, en zweeg
in hun geschillen
en ging als blind
om der eenzame wille
van sterren en wind.


Dit tweede deel van het gedicht is een uitwerking van wat voorafgaand het vluchtiger lot van de dichter wordt genoemd. Tegenover het gewicht van de mensen die zich wijden aan hun geld en hun god moet het bestaan van de dichter wel vluchtig genoemd worden. Het is een leeg bestaan en zet in de ogen van zijn tegenstanders dan ook geen zoden aan de dijk.
Aan de ene kant uit zich die leegheid van handen en ogen in de weigering zich geheel te engageren met de wereld van de materie. Maar aan de andere kant biedt het de dichter de mogelijkheid deel te hebben aan die wereld van sterren en wind.
Die gerichtheid op iets transcendents, een wereld die ruimer is dan die van het menselijke bedrijf, blijkt een eenzaam lot. Maar de dichter kan als getuige niet anders of hij moet die rol van vagebond en zwerver als zijn lot aanvaarden.

Conclusie
Ik stelde mij de vraag of dit gedicht, ondanks zijn beknoptheid, een totaalbeeld kan oproepen. Dat doet het, als je poëzie ziet als een getuigenis van een dimensie die verder gaat dan het alledaagse menselijke bestaan. Beide dimensies worden in dit gedicht verbeeld.
Je kunt het gedicht en de rol van de dichter romantisch noemen, maar dat neemt niet weg dat het gaat over een menselijke werkelijkheid die steeds actueel is en nooit verjaart.