13 november 2013

Gerard den Brabander: Dichters moeten de minnaars uit zich weren


Dichters moeten de minnaars uit zich weren
willen zij naakt gelijk de goden zijn.
Waarom dan, hart, dit mateloos begeren
... naar alle naaktheid, geborneerd en klein,

en waarom zijn onsterflijkheid bezeren
aan deze beten van het bot venijn,
wanneer de liefde slechts dit klein kreperen
de bestie is achter ‘t bedgordijn?

Hijg dus, o hart, uw sterflijkheid te buiten,
gij , die uit de pijn het bovenaardse koos,

eens zal uw mond zich als gesteente sluiten
in d’ eenzaamheid van wind en waterhoos,

maar, wie hem kust, zal er op leven stuiten:
diep in zijn barsten hurkt de wilde roos.

De Arbeiderspers, Amsterdam 1958

















Vooraf

Wil je weten wat poëzie is, dan moet je je ook afvragen wat een dichter is. Bij het bespreken van het gedicht Dichter en Geleerde van Frederik van Eeden begreep ik dat dichter-zijn een bestaanswijze is, die zich niet alleen beperkt tot het schrijven van gedichten. Zijn geesteshouding wordt geïnspireerd door een bijzondere kijk op de wereld en het menselijk bedrijf, een die afwijkt van de gangbare opvattingen.
Daarom lijkt het me het beste de dichters zelf over hun dichter-zijn aan het woord te laten. Bovenstaand gedicht benadrukt aanvankelijk weliswaar wat dichters niet moeten zijn, maar geeft in het vervolg duidelijk te kennen wat de dichter van zichzelf verwacht.

Analyse

De vorm

Het gedicht is een traditioneel sonnet. Een schoolvoorbeeld van regelmaat van vorm en opbouw. De wending bevindt zich in het midden van het gedicht, aan het eind van de twee kwatrijnen, waarna de drie volgende tweeregelige strofen van toon veranderen.
Het eindrijm heeft in hoge mate dezelfde rijmklank. Het eerste deel kent slechts twee rijmklanken, die gekruist rijmen (ab/ab). In het tweede deel is dat eveneens het geval (cd/cd). Opvallend is dat het eindrijm steeds afwisselt met eerst een onbeklemtoonde klank aan het eind van de regel en in de volgende regel een beklemtoonde klank. Daardoor veroorzaakt die tweede regel steeds een soort rustpauze.

 

De inhoud

Dichters moeten de minnaars uit zich weren
willen zij naakt gelijk de goden zijn.
Waarom dan, hart, dit mateloos begeren
... naar alle naaktheid, geborneerd en klein,


De titel is gelijk aan de eerste versregel en wekt nieuwsgierigheid, omdat het niet onmiddellijk duidelijk is waar het hier om gaat. Ook minnaars in het meervoud heeft iets dubbelzinnigs alsof dichters de minnaars uit hun gelederen zouden moeten weren. Dat heeft weinig zin. Ik neem aan dat het erom gaat dat iedere dichter afzonderlijk de minnaar uit zichzelf moet zien te weren (en bij herhaling meerdere minnaars). En wel om de reden die in de tweede regel wordt gegeven: zijn doel moet zijn: de goddelijke naaktheid na te volgen.

Hoe je die naaktheid van de goden moet voorstellen is voorlopig nog  onduidelijk. Maar je zou haar kunnen beschouwen als het tegendeel van de menselijke naaktheid, die in de twee volgende regels geborneerd en klein wordt genoemd. De tegenstelling tussen beide vormen van naaktheid hangt samen met twee bewegingen van het hart. De ene is aardegericht, de andere bovenaards.
De dichter spreekt daarom in het gedicht zijn hart tweemaal toe. De eerste keer om het van zijn mateloos begeren van het aardse af te houden om het vervolgens in het tweede deel aan te moedigen het bovenaardse te kiezen.

De eerstgenoemde oproep tot matiging is nodig omdat de begeerte naar aardse naaktheid mateloos blijkt te zijn, terwijl ze tegelijkertijd zeer beperkt is. Je krijgt de indruk dat hier wordt gedoeld op een vorm van erotiek die zich verliest in het seksuele en zich daarom eindeloos herhaalt in dezelfde beweging. De dichter roept zichzelf (en zijn mededichters) op een eind aan te maken aan die cirkelgang en de beweging van het hart te kiezen in een ruimer perspectief door de naaktheid der goden na te volgen.

en waarom zijn onsterflijkheid bezeren
aan deze beten van het bot venijn,
wanneer de liefde slechts dit klein kreperen
de bestie is achter ‘t bedgordijn?

Het menselijke hart blijkt namelijk onsterfelijk en daarom verlangt het in de grond naar wat onsterfelijk is. Dat is de reden waarom het geen genoegen kan nemen met de omhelzingen achter ‘t bedgordijn. Deze liefde heeft de dood in zich, omdat het zich hecht aan wat sterfelijk is. De dichter noemt het een klein kreperen. Deze liefde verwondt daarom en vergiftigt het menselijke onsterfelijke verlangen met zijn beten van het bot venijn. Bestie is een bestaand, maar in onbruik geraakt begrip, maar je leest er het gedrag van een beest in. Wel beschouwd is dus deze vorm van liefde niet veel meer dan wat de beesten doen.

Hijg dus, o hart, uw sterflijkheid te buiten,
gij , die uit de pijn het bovenaardse koos,

eens zal uw mond zich als gesteente sluiten
in d’ eenzaamheid van wind en waterhoos,

maar, wie hem kust, zal er op leven stuiten:
diep in zijn barsten hurkt de wilde roos.

Zoals zo vaak wordt hier de poëzie geboren uit pijn. Pijn omdat het hart geen volledige vrede heeft kunnen vinden in het minnen van deze of gene. Het dichterlijk verlangen te beminnen blijkt groter. Het hijgt. Dat is een fysiek beeld voor wat uit de grond en de diepte van het hart omhoog komt.
Die keuze van het bovenaardse komt dus voort uit gemis. Het houdt vast aan die werkelijkheid die gemist wordt en het aardse overstijgt. Dat houdt ook een keuze van eenzaamheid in en van het eenzame graf. Alleen wind en waterhoos zullen hem daar vergezellen.
In het graf is de stem van de dichter in het steen verstard. Maar de lezer kan die stem weer ten leven wekken in het gedicht dat hij leest. En als hij goed leest ontdekt hij dat aan de oorsprong daarvan de wilde roos leeft.

De wilde roos onderscheidt zich van de gecultiveerde roos door het feit dat ze niet getemd is, niet geschikt gemaakt voor huis-, tuin- en keukengebruik. Ze is hier met haar vele stekels het symbool van de liefde, maar de liefde die uit pijn geboren is en nooit geheel vrede heeft kunnen vinden in het bestaande. Maar die liefde is wel de originele liefde, de oorsprong van alle liefdesbewegingen.

Wat is poëzie?

Veel poëzie, zoals ook het bovenstaande, cirkelt rond het liefdesverlangen. Het is een pijnlijk verlangen, omdat het nooit geheel zijn vervulling vindt, of het moest zijn in de rust van de dood. Het Griekse woord voor dat verlangen is Eros. Ik schrijf het met een hoofdletter, omdat Eros van oudsher goddelijke trekken heeft. Zo verneemt Socrates in het Gastmaal van Plato uit de mond van de zieneres Diotima de afkomst van Eros.

Eros is geboren uit de vereniging van een god en een mens, van Poros en Penia, van Overvloed en Gemis. De arme vrouw Penia weet de rijke god Poros te verleiden, terwijl hij dronken is, en vanuit die vereniging wordt Eros geboren. Daarom heeft Eros een dubbele aard: aan de ene kant is hij goddelijk, aan de andere kant is hij behoeftig als ieder mens.

De dichter bepleit hier dat poëzie niet zonder die goddelijke kant van de eros kan en dat de dichters zich niet tevreden moeten stellen met de beschrijving van de aardse liefde. Dat zou betekenen dat poëzie altijd iets van dat transcendente verlangen in zich moet hebben op straffe dat ze anders plat en eendimensionaal wordt.

23 oktober 2013

Alexander Pope: Nature and nature's laws lay hid in night




Nature and nature's laws lay hid in night;
God said "Let Newton be" and all was light.

Grafschrift bij het overlijden van Isaac Newton (1647-1727)











Vooraf

Door de analyse van Van Eeden’s gedicht Dichter en Geleerde kwam ik tot de conclusie dat de Dichter een heel andere wereld bewoont dan de Geleerde wetenschapper. Daarbij werd duidelijk dat het Van Eeden ging om de Natuurgeleerde, die volgens hem geen andere verklaring van het Leven kan geven dan de Dood, terwijl de Dichter in staat is zelfs in de Dood het Leven te bespeuren. Daarbij moet worden aangetekend dat Van Eeden behalve dichter ook wetenschapper was, maar zich kennelijk niet thuis voelde in het kader van de natuurwetenschappen.

Dat brengt mij tot de vraag in welke wereld wij leven en hoe het komt dat de natuurwetenschap in de loop der tijd zo dominant is geworden dat zij iedere ander vorm van wetenschap inclusief de poëzie en literatuur tot een marginaal gebied heeft verdrongen, terwijl deze toch de vragen van het Leven beter zouden kunnen verklaren dan de natuurwetenschap.
Ik herinnerde mij een gedicht dat mij  in de natuurkunde les werd voorgehouden en dat ik hierboven heb geciteerd. Het is waarschijnlijk in de herinnering van velen blijven hangen. Ik wil daarvan graag een analyse geven om te ontdekken wat de oorzaak van deze eenzijdige ontwikkeling is.

Analyse

 

De tegenstelling

Het gedicht bestaat uit twee regels, die een zekere tegenstelling vormen. Het eindrijm (night / light) geeft het duidelijk aan. Eerst heerst er een complete duisternis en daarna is er plots het volle licht. Dat is niet minder dan een verschil van dag en nacht.
Die plotselinge verandering wordt in het gedicht door God veroorzaakt. Hij is het die Newton in het leven roept en via hem het volle licht in de wereld brengt.
De context doet denken aan de eerste regels van het Bijbelse scheppingsverhaal, waarin God op de eerste dag het licht schept. Ik citeer:
In het begin schiep God hemel en aarde. De aarde was nog woest en leeg, en duisternis lag over de afgrond. En Gods geest zweefde over de wateren. God zei ‘er moet licht komen!’ En er was licht. En God zag dat het licht goed was.
Die laatste zin is opvallend. Het licht wordt in het Bijbelverhaal volgens God goed bevonden, maar gezien dit gedicht is het niet goed genoeg. God heeft uiteindelijk ingezien dat zijn licht meer op nacht leek en heeft Newton aangesteld als de brenger van het volle licht.

 

Het gedicht is een grafschrift

Een grafschrift moet kort en puntig zijn. Je mag dus niet veel nuance verwachten. Die is er dan ook niet, wanneer je de tegenstelling tussen duisternis en licht al te letterlijk en te absoluut zou nemen.
Een grafschrift is om een gestorvene te eren en zijn verdiensten in de herinnering te laten voortbestaan. Er wordt dan meestal ook niets aan de verdiensten van de overledene afgedongen. Dat geeft vaak aanleiding tot flink wat retorische overdrijving. Ook in deze twee regels blijkt dat het geval.

Het donker/licht denken


Nature and nature's laws lay hid in night;

Het gaat hier om twee zaken die vóór de komst van Newton in duisternis waren verborgen: De natuur en de wetten van de natuur. Nu is het Newton’s verdienste dat hij de vinder was van een aantal natuurwetten, die meer inzicht gaven in de werking van de natuur. Maar het is ook weer niet zo dat niemand vóór hem dat had gedaan. Hijzelf is over zijn verdiensten heel wat meer bescheiden dan het gedicht suggereert. Aan een collega schrijft hij: ‘Als ik verder heb kunnen zien, dan was het staande op de schouders van reuzen vóór mij’. En op het eind van zijn leven:Ik was als een jongen die op het strand speelt en zich vermaakt door een nog mooiere steen of schelp te vinden, terwijl de grote oceaan van de waarheid onontdekt voor mij lag’. Dat is heel andere taal.

Daar komt nog bij dat de natuur der dingen niet verandert door er de wetten van te ontdekken. Je kunt de wetten van de breking van het licht vinden, maar daar wordt het natuurlijke licht dat van den beginne scheen niet anders door.

God said "Let Newton be" and all was light.

De sombere beschrijving van het verleden suggereert een nieuw tijdperk. Newton is hier de lichtbrenger die met zijn natuuronderzoek nieuwe wegen inslaat en hoop geeft voor een betere wereld. Het gedicht suggereert dat God zijn oude evangelie heeft ingeruild voor een nieuw, dat eindelijk de vooruitgang en de verlichting van de mensheid zal brengen. En Newton is daarvan de evangelist. 

De verlichtingsfilosofie


De vraag is waarom de dichter deze totale zwart-wit voorstelling tussen heden en verleden in dit gedicht heeft willen schilderen, even afgezien van het feit dat hij de verdiensten van Newton wilde benadrukken.
Op de achtergrond heeft zeker de verlichtingsfilosofie meegespeeld. De 18e eeuw wordt wel de eeuw van de Verlichting genoemd. Die beeldspraak geeft aan dat men aan een nieuw tijdperk dacht, dat het oude moest vervangen. In diezelfde beeldspraak werd dat verleden dan ook een duistere tijd genoemd, the dark ages en bij ons de donkere middeleeuwen.
Het aparte is dat men door het verlangen naar Vooruitgang die beeldspraak meer en meer letterlijk is gaan nemen alsof ook het licht in die tijden minder helder scheen en de mensen onder dat licht minder bekwaam waren. Ik verdenk veel aanhangers van de Verlichting ervan dat zij menen te leven in een tijd waar het licht en de kleuren helderder zijn geworden,  terwijl zij zich de middeleeuwers voorstellen als hun weg zoekend in donkere sepia kleuren.









 

 

 

 

De scheiding der filosofieën


Hoewel Newton een belangrijk theoloog was, werd hij vooral bekend door zijn Philosophia Naturalis. Die afscheiding van de natuurfilosofie van de oude filosofie die ook het hele geestelijke gebied bestreek was tamelijk nieuw. Vóór hem was het Descartes (1596-1650) die een scheiding had gepropageerd uit puur methodische overwegingen. Hij maakte een onderscheid tussen een gebied dat in principe meetbaar is, d.w.z. de materiële wereld, en een geestelijk gebied dat niet zo eenduidig in zijn heldere en duidelijke begrippen was te vatten.
Hoewel in aanvang de natuurfilosofie werd beoefend naast de onderdelen van de oude filosofie, (zoals metafysica, ethica, kenleer en ook de theologie), bleek het geloof in de nieuwe natuurfilosofie zo veelbelovend dat men deze als gauw als een autonome wetenschap ging beschouwen, die geen banden meer hoefde te onderhouden met de filosofie waaruit zij voortkwam.
Zo is de natuurwetenschap haar eigen weg gegaan, in de zich snel ontwikkelende Vooruitgang, de oude filosofie waaruit zij voortkwam in duisternis achterlatend. Zelfs God, die in het gedicht van Pope nog een, zij het dubieuze, rol speelde, moest in de vaart der volkeren afhaken. Newton moet zich als theoloog en aanhanger van de Bijbel in zijn graf hebben omgedraaid, maar aan dat grafschrift op zijn zerk viel niet veel meer te veranderen. Het zou zijn eigen ongenuanceerde leven gaan leiden.

Conclusie

 Aan het begin stelde ik mij de vraag hoe de natuurwetenschap in de loop der tijd zo’n dominante rol is gaan spelen, terwijl de geesteswetenschappen een wat armoedig bestaan zijn gaan leiden. In mijn ogen is de scheiding der wetenschappen, die ik boven noemde, daaraan voor een goed deel debet.
Het riekt ernaar dat ik de natuurwetenschap haar het succes zou misgunnen dat zij heeft. Maar dat is niet mijn punt. Ze heeft door haar technische verworvenheden de materiële welvaart en het welzijn van mensen aanzienlijk verbeterd. Maar heeft zij het licht gebracht dat ons in dit gedicht werd aangekondigd?
De werkelijk geestelijke vragen van het menselijk bestaan blijven meer dan ooit in het duister. En dat is begrijpelijk want je kunt van de natuurwetenschap ook geen verklaring en richting verwachten, gebonden als zij is aan haar puur materiële en rationele benaderingswijze van de natuur.

Er moet dus een soort inhaalslag gepleegd worden vanuit de geesteswetenschappen en eigenlijk vanuit al de faculteiten die de menselijke geest en ziel ten dienste staan om de huidige eenzijdigheid op te heffen en werkelijk de natuur der dingen te verklaren. Want had de natuurwetenschap zoveel eerbied voor de natuur?

Ook de poëzie kan daarbij van dienst zijn. Maar dat dit een langzaam proces is bleek mij uit een beschouwing van de dichter Nijhoff, die dit in de dertiger jaren in dichterlijke beeldspraak formuleerde: “Hoofd en hand zijn ver op het hart vooruit”. Hij vond het de taak van de poëzie het hart in de beleving van de werkelijkheid weer met hoofd en hand te verbinden. Het is nog steeds de moeite waard daaraan te werken.