30 oktober 2012

P.C.Boutens: O Liefde-in-Schoonheid


Vooraf

Na een analyse van Boutens gedicht Oogenblik vond ik een gedicht van zijn hand dat aanzienlijk kernachtiger is, maar dezelfde drijfveer van zijn poëzie tot onderwerp heeft. Het begint met O Liefde-in-Schoonheid.

Dit gedicht telt zeven versregels en bestaat uit één zin. In principe houd ik meer van gedichten die een beperkte omvang hebben, omdat ik denk dat de kracht van poëzie ligt in haar bondigheid en beknoptheid. Daarmee wil ik niet tekortdoen aan het Oogenblik, dat mij overigens dertien strofen lang heeft geboeid.

Maar in dit gedicht wordt zonder omhaal duidelijk wat Boutens tot zijn poëzie heeft gedreven. Het is het onherroepelijke existentiële verlangen naar een schoonheid die het menselijke bestaan volledig zal kunnen bevredigen.

Ik kan me moeilijk een ander motief bedenken wat zozeer aan de wortel ligt van poëzie. Ik weet dat het een belangrijk motief is in de poëzie van J.C.Bloem, die zijn eerste bundel verzen uitgaf onder de titel Het Verlangen. Je kunt je afvragen waarop dat verlangen gericht is. Is het iets wat in dit leven te bereiken valt of is het iets wat buiten dit leven valt? In dat laatste geval wordt het verlangen gekenmerkt door lijden aan het gemis. Maar het houdt tegelijk het nostalgisch weten van een tijdloze wereld in, wanneer onverhoopt het aardse verlangen niet geheel tot bevrediging kan komen.

Tot dit laatste soort poëzie behoren naar mijn mening ook de gedichten van P.C.Boutens. Ik wil me aan de hand van dit gedicht de vraag stellen of dit soort poëzie, dat het moet hebben van een metafysisch verlangen, heeft afgedaan of niet.

O Liefde-in-Schoonheid, die mij hebt verwond,
Nog eer ik tot bewustzijn was ontwaakt
Van 't vluchtig leven onder deze zon,
Met het blind woeden van uw eeuwige
Verlangen dat geen tijdlijk stelpen duldt,
Maar duurzame genezing zoekt van u -;
Tot welk een wedjacht hebt gij mij gespoord.





Analyse

 O Liefde-in-Schoonheid,[…]
Tot welk een wedjacht hebt gij mij gespoord.

Zoals gezegd bestaat dit gedicht uit één zin. Dat is de hierboven weergegeven hoofdzin die aan het begin en het eind een soort kader vormt voor een lange bijzin, die begint met die mij hebt verwond. Die bijzin geeft een reeks van nadere omstandigheden weer, waardoor de dichter tot deze wedjacht naar Liefde-in-Schoonheid is gedreven.
Het gedicht begint met een aanroeping tot Liefde-in-Schoonheid. Deze woordcombinatie verschijnt in hoofdletters en doet daarom denken aan een roep tot een verheven goddelijke macht, die het leven van de dichter blijvend blijkt te beheersen.

Opmerkelijk is dat die goddelijke macht zich aan hem openbaart als Liefde in Schoonheid. Men kan het goddelijke langs verschillende wegen ervaren, naargelang een persoonlijke aanleg of gerichtheid. Meestal wordt het ervaren als Waarheid of Goedheid. Dat correspondeert dan vaak met een behoefte aan leer of moraal. Maar hier correspondeert het goddelijke met iets heel anders. Het doet beroep op het liefdesverlangen van de dichter en doet hem in alles hartstochtelijk zoeken naar de goddelijke schoonheid die hem getroffen heeft.

Die allesomvattende liefde voor de schoonheid is wel afgedaan met de term estheticisme, alsof hierin slechts naar een oppervlakkig deel van de werkelijkheid wordt gestreefd. Nu is schoonheid niet alleen een uitwendige kwaliteit, maar meer nog een innerlijke. Ze wijst op ordening, maat, evenwicht en harmonie in alles. En vanuit dat aspect sluit ze ook waarheid en goedheid in. Die Schoonheid na te streven niet alleen in de kunst maar in alle menselijke activiteit en verhoudingen lijkt me nog niet zo’n slecht ideaal.

De laatste versregel omschrijft dit zoeken naar schoonheid als een wedjacht. Wie eenmaal door die liefde is geraakt, raakt in een soort wedloop om wat hij liefheeft te bereiken. Geen rust wordt hem in deze jacht nog geschonken.

die mij hebt verwond,
Nog eer ik tot bewustzijn was ontwaakt
Van 't vluchtig leven onder deze zon,
Met het blind woeden van uw eeuwige
Verlangen dat geen tijdlijk stelpen duldt,
Maar duurzame genezing zoekt van u -;

In deze bijzin wordt verwoord wat de goddelijke Liefde-in-Schoonheid in de dichter heeft aangericht. Hij is door dit eeuwige verlangen verwond. En dat op een moment dat hij zich nog nauwelijks bewust was van de vergankelijkheid van dit leven.
Het is opmerkelijk hoe de wond die de goddelijke liefde heeft aangebracht slechts door diezelfde instantie genezen kan worden. Er zit iets pijnlijks en wreeds in deze situatie. Aan de ene kant gedreven worden door het woeden van een eeuwig verlangen. Aan de andere kant te weten dat dit verlangen geen tijdelijk stelpen duldt.
Dit gedicht kun je verstaan als een klacht. Het spreekt van een wond, een niet te ontkennen gemis, dat in dit leven een rol zal blijven spelen. Maar tegelijkertijd lees ik er ook een zekere acceptatie in, een geluk zelfs, dat deze goddelijke gave de dichter is ten deel gevallen. Want dit blijkt het motief van waaruit hij poëzie kan maken.

Nabeschouwing

Ik stelde mij de vraag of en in hoeverre dit soort poëzie dat gebaseerd is op een metafysische, tijdloze dimensie nog recht van spreken heeft. Is deze poëzie nog wel aardse mystiek, zoals Nijhoff zo graag wilde? Zijn bezwaar was dat dit soort metafysiek betrokken was op een andere wereld en daardoor van de aarde vervreemdde.
Maar naar mijn overtuiging is zij wel degelijk op het aardse gericht. Bovenstaand gedicht laat zien hoe de dichter overal en altijd Liefde-in-Schoonheid zoekt en nastreeft. Dat is geen abstract begrip dat zich buiten de wereld bevindt. Ze wordt voor wie wil in heel de werkelijkheid gevonden. En in dat geval is ze aanwezigheid én teken van de eeuwige schoonheid, die als archetypisch gemis in principe in ieder mens aanwezig is.
Het is waar, in deze poëzie zijn er twee dimensies, de tijdelijke en de tijdloze. Maar dat geeft er juist een zekere nostalgische spanning aan, die bestaat tussen gemis en vervulling. Er is beleving van schoonheid, maar die schoonheid staat niet op zich. Ze is als kwaliteit niet aan de dingen gebonden, maar leeft in de geest van de beschouwer. Daarom is de schoonheid van het ene ding ook verwant met de schoonheid van een ander. Maar in hun schoonheid zijn ze tegelijk teken van de tijdloze schoonheid.
Dat is een platonische visie. Maar ik vind die visie zo kwaad nog niet. Want wat gebeurt er wanneer in de poëzie die tijdloze dimensie wordt gemeden? Dan is er niet meer de spanning tussen beide. De wereld wordt dan eendimensionaal en de ruimte om daar poëzie uit te puren wordt aanzienlijk kleiner en platter.