27 juli 2013

Nescio: Pleziertrein


Ik heb nog een oudere herinnering.
Donderdag 30 Juli 1896. Kijkt u het maar na in een oude almanak en u zult zien dat 't klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?
Donderdag 30 Juli 1896. Ik zie nog de blauwe aanplakbiljetten. Goedkoope trein naar Nijmegen, 2e en 3e klas, ƒ 1,- heen en weer. En ik voel weer heel even de oude verwachting van toen, toen die dag nog komen moest.
Het geluid van de houtduif. Een weg in een vreemd land, hooge boomen alom. Het moet bij Berg en Dal zijn geweest. En het koeren van de houtduif. En de vreemde ontroering.

Dat is alles.
De rest is zakelijkheid. De menschen van de pleziertrein, die je overal tegenkwam. De Duivelsberg. En even weer een vreemde ontroering: die ruimte en dat licht. Alles was vreemd. Een opgetogen meisje, volwassen. Ze kan nog leven, ik leef ook nog. Een te duidelijke stem: "Zooiets zie je bij ons op de Jodenbreestraat toch niet." Een steil pad naar beneden, te steil, m'n vader komt zittende terecht, halverhoogte.
En tegen den avond, de weg naar 't station, al die groepjes menschen: de pleziertrein. Een man die op den rand van 't trottoir staat en z'n hoofd beweegt en dan kotst. De pleziertrein.
In de nacht staan we stil op de rails. Het raampje is open, wij hooren 't gelal uit de andere uit de andere wagens. Een man zit bij het portier. Waar zijn we? Hij wipt op om z'n kop uit 't raampje te steken en praat naar binnen: "Maarsbergen!" Klap op z'n derrière. "Waarom berg je 'm dan niet op?" Pleziertrein.
Maar 't zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoog-opgaand weelderig geboomte zie. Nijmegen, m'n vader, dat stuk weg, die boomen daar en die duif die koerde.
En de weemoed. Lang nadat die dag niet meer komen moest, hingen hier en daar nog die blauwe biljetten. Donderdag 30 Juli 1896. Goedkoope trein naar Arnhem en Nijmegen. De zoete pijnlijke en onbegrepen weemoed dat 't voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.
Dat is alles.

Een vreemd gevoel van onvergankelijkheid.

19 Februari 1942

Uit: Boven het dal en andere verhalen, 1961.

Vooraf

Op zoek naar wat poëzie is hoef je je niet te beperken tot wat men gewoonlijk poëzie noemt. Ook proza kan poëtisch zijn, als je het begrip in ruimere zin neemt. Het was Baudelaire die, waarschijnlijk moe van het keurslijf van sonnetten en alexandrijnen, in zijn Petits poëmes en prose: Kleine gedichten in proza vorm gaf aan wat hij prozagedichten noemde. Het zijn korte beschrijvingen rond een bepaald thema, zoals het prozagedicht Bedrink je, dat ik in deze verzameling opnam.

Ik koos bovenstaande tekst van Nescio, omdat het verhalend proza is, maar toch ook meer is dan puur het verhaal. Er zitten elementen in die je poëtisch zou kunnen noemen. En het lijkt me de moeite waard dat eens na te gaan.





 Analyse
De opbouw

De Pleziertrein heeft de vorm van een verhaal. De schrijver vertelt een herinnering van vroeger, een plezierreisje met zijn vader naar Berg en Dal. Maar het is geen rechtlijnig doorlopend verhaal. Het verspringt zo nu en dan, neemt even een zijweg en herneemt dan weer waarmee het begonnen was. De schrijver noemt het een oude herinnering en het heeft ook de kenmerken van een oude herinnering. Het vormt een samenstel van losse fragmentarische beelden.

Zoiets blijkt al in het begin, wanneer de schrijver de aanhef van zijn verhaal onderbreekt en een vraag tussendoor stelt: Bestaan er nog almanakken? Om daarna het begonnen verhaal te hernemen: Donderdag 30 Juli 1896….

Het fragmentarische van deze herinnering wordt onderstreept door de vele lege regels in de tekst. Daartoe draagt ook bij de tweemaal herhaalde opmerking. Dat is alles. Ze vormen een soort pauze, alsof alles gezegd zou zijn. Dat verhindert de schrijver overigens niet om verder te gaan. Maar al aan het begin voegt hij eraan toe De rest is zakelijkheid.

Dat brengt je op het spoor dat de vertelde herinnering twee lagen heeft. De meer zakelijke, anekdotische laag van het plezierreisje en een andere, die te maken heeft met de vreemde ontroering, die de schrijver daarbij ervoer. De titel Pleziertrein dekt dan slechts gedeeltelijk de lading. Plezier krijgt hier vanaf het begin al een vreemde, emotionele lading die besloten ligt in de verwachting van die dag die nog komen moest en de ontroering die die dag daarna achterliet.

De zakelijkheid is hier het proza van de pleziertrein met de min of meer komische beschrijving van de mensen die er aan deelnemen. Maar daartussendoor is er de poëzie geweven van de persoonlijke ervaring, die in de zin Dat is alles wordt samengevat:

Het geluid van de houtduif. Een weg in een vreemd land, hooge boomen alom Het moet Berg en Dal zijn geweest. En het koeren van de houtduif. En de vreemde ontroering

Dat alles concentreert zich in het koeren van de houtduif. Het is een beeld dat herhaalde malen terugkomt en voor de schrijver het symbool blijkt te zijn van een gevoel van weemoed, van het verlangen naar het vreemde, ongewone. Een gewaarwording die in de voor een Amsterdammer ongewone omgeving van Berg en Dal begonnen moet zijn.

Maar 't zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoog-opgaand weelderig geboomte zie. Nijmegen, m'n vader, dat stuk weg, die boomen daar en die duif die koerde.

Dit laatste fragment gaat duidelijk een stap verder dan de gebeurtenis van toentertijd. Via het koeren van de duif krijgt de genoemde ontroering een karakter dat de tijd overstijgt. Die herinnering heeft zich in de geest vastgezet, telkens als de schrijver het koeren van een duif hoort. Dan moet je wel concluderen dat het verhaal van de plezierreis maar een aanleiding vormt om deze blijvende emotie die de schrijver bezielt te verbeelden.

Het thema

Een vreemd gevoel van onvergankelijkheid…

De vreemde ontroering, die bij herhaling in dit verhaal wordt genoemd hangt samen met het verlangen van de schrijver naar het vreemde en ongewone, naar iets wat uitstijgt boven het dal van de plichten en het alledaagse getob.

In tegenstelling tot het simpele plezier van de mensen die hij beschrijft blijft er bij hem van die plezierreis een gevoel van weemoed achter om een ervaring die hij niet kan duiden, maar samenhangt met het weemoedig koeren van de houtduif.
Die weemoed houdt enerzijds verband met het besef dat die ervaring voorgoed voorbij is en nooit meer komen zal, maar het wijst ook op iets wat niet voorbij gaat en zich in de herinnering van de schrijver blijvend heeft vastgezet. Die ervaring heeft een tijdloos karakter gekregen. Vandaar dat hij spreekt van ‘t zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren. Vandaar dat vreemde gevoel van onvergankelijkheid, van een ontroerende ervaring die hem even boven het dal van de sterfelijkheid uit tilt en naar het tijdeloze gebied heft.

Wat is poëzie?

Poëzie hoeft niet per se in verzen te zijn geschreven. Het kan ook proza zijn. Wel zullen er naar mijn inzicht enige beperkingen aan de vorm zijn. Zo zal het een beknopt stuk tekst moeten zijn, dat duidelijk cirkelt rond één thema. Het zal daarom herhalingen bevatten, nieuwe aanzetten om hetzelfde nog eens op een andere manier te benaderen. Maar dat neemt niet weg dat natuurlijk ook fragmenten uit een roman poëtisch kunnen zijn, als ze bovenstaande vormkenmerken hebben en een los verband hebben met het geheel.

Wat de inhoud betreft zal het, zoals in bovenstaande tekst van Nescio, steeds cirkelen rond het menselijk verlangen naar iets wat het alledaagse overstijgt. Nescio noemt het weemoed, je zou het ook nostalgie kunnen noemen. In beide is er het pijnlijke besef van een gemis van wat in een ontroerend moment werd ervaren. Het is het verlangen naar iets onbestemds. Toch blijkt uit de momenten van ontroering, die de schrijver weergeeft dat er wel degelijk een zeker weten is van dit gebied dat zich bevindt boven het dal der tobbende menschen.

2 juni 2013

William Butler Yeats: The Lake Isle of Innisfree



I will arise and go now, and go to Innisfree,
And a small cabin build there, of clay and wattles made;
Nine bean rows will I have there, a hive for the honeybee,
And live alone in the bee-loud glade.

And I shall have some peace there, for peace comes dropping slow,
Dropping from the veils of the morning to where the cricket sings;
There midnight's all a glimmer, and noon a purple glow,
And evening full of the linnet's wings.

I will arise and go now, for always night and day
I hear lake water lapping with low sounds by the shore;
While I stand on the roadway, or on the pavements gray,
I hear it in the deep heart's core.

1892


















 Vooraf

Bij het analyseren van De Dapperstraat van J.C.Bloem dacht ik onwillekeurig aan bovenstaand gedicht, dat meer dan een halve eeuw eerder is geschreven. Terwijl Bloem als dichter zijn voorkeur uitspreekt voor de grauwe stedelijke wegen en zich domweg gelukkig voelt in de Dapperstraat, blijkt bij de dichter Yeats het omgekeerde het geval. Hij voelt zich niet gelukkig op de roadway en on the pavements gray en besluit in het diepst van zijn hart naar Innesfree te gaan.

Heeft de poëzie zich geëvolueerd en kwam Bloem tot het verheven inzicht dat poëzie ook uit het grauwe plaveisel te puren valt? Of is het verschil niet zo groot en had ook Bloem, lopend in de Dapperstraat, zijn innerlijk Innisfree? Wellicht kan bovenstaand gedicht enige helderheid bieden.

Veel hangt af van de vraag of de dichter nu feitelijk naar Innesfree gaat of niet. Dus wat is poëtische verbeelding, wat feitelijkheid?
Analyse
De vorm

Vorm en inhoud komen in dit gedicht sterk overeen, zowel wat betreft ritme als klank. Het gedicht bestaat uit drie vierregelige strofen, die bijeengehouden worden door de herhaalde aanhef in de eerste en laatste strofe van: I will arise and go now. Het gaat hier om de benadrukking van een diepgevoelde wens.

Het ritme is een regelmatige afwisseling van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen, met die eigenaardigheid dat in het midden van iedere versregel via twee onbeklemtoond lettergrepen een pauze is ingebouwd:

I wíll /a ríse /and / now // and / to Ínn/ is frée/,

And á/ small cáb/ in búild there, // of cláy and wáttles máde;

Hierdoor wordt het tempo vertraagd en wordt het tweede deel van de regel opnieuw aangezet. Die vertraagde beweging vindt in de eerste drie regels plaats totdat het in iedere vierde kortere regel wordt afgebroken.

Die ritmische golving moet de lezer in de stemming brengen van het rustgevende kabbelen van het water, dat voor de dichter de kern vormt van zijn besluit om naar Innesfree te gaan.

Ook op een andere manier wordt de lezer in de stemming gebracht van de rustgevende natuur en wel door opvallend veel binnenrijm, dat klanknabootsend werkt en het zingen van de natuur suggereert: het kabbelende water: I hear lake water lapping, de zoemende bijen: a hive for the honeybee, de tsjirpende krekels: where the cricket sings en het zacht gefladder van vogelvleugels: And evening full of the linnet’s wings.

Enkele feiten

Yeats is een dichter van Ierse origine. Zijn verlangen om terug te gaan naar Innisfree is verklaarbaar, omdat hij zijn jeugd in die streek van Ierland heeft doorgebracht. Innisfree is een klein onbewoond eilandje midden in het meer van Lough Gill in het graafschap Sligo. Je zou zijn verlangen kunnen verklaren uit een diep heimwee, die hij, later in Londen wonend, koestert naar die idyllische streek.


Daar komt nog bij dat hij als dichter een sterke invloed ondervond van de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau, die ernaar streefde in harmonie met de natuur te leven. In zijn meest bekende werk Walden, or life in the woods,
gepubliceerd in 1854, beschrijft hij hoe men een eenvoudig leven in het bos kan leiden, afgezonderd van de 'beschaafde' samenleving. Thoreau verwerkelijkte dat ideaal gedurende meer dan twee jaar en liet ook zijn sporen in Nederland na, waar Frederik van Eeden in 1898 op het landgoed Cruysbergen in Bussum een soort commune oprichtte, Walden genaamd.


Er is echter geen enkele aanwijzing dat Yeats zich aan zulk een experiment heeft gewaagd, waardoor zijn besluit om naar Innisfree te gaan niet te letterlijk en te feitelijk moet worden opgevat.
Aanleiding tot het gedicht is het feit dat Yeats, zoals hij zelf later verklaarde, met heimwee in het hart door het Londense Fleetstreet wandelde. Hij werd in de etalage van een winkel getroffen door de klank van stromend water, veroorzaakt door de straal van een fonteintje, waarop een balletje bleef dansen. Die klank bracht de herinnering terug aan het water van het meer. Zo ontstond The Lake Isle of Innisfree, geschreven in 1888 en gepubliceerd in 1890.

Wat als we die feiten niet wisten?

Als adept van close reading vraag ik me steeds af: moet ik persoonlijke informatie over de dichter van buiten het gedicht gebruiken om het te kunnen lezen of niet? Ik denk dat het interessant is iets over de schrijver te weten, maar dat dit niet echt bijdraagt tot de werkelijke inhoud van het gedicht. De kans wordt groter dat je via die informatie blijft steken in het anekdotische, in de persoonlijke wederwaardigheden van de dichter en daardoor de meer universele duiding van zijn poëzie mist.

Zo denk ik dat je, om me bij de titel te houden, Innisfree niet zou hoeven op te zoeken op de kaart om toch te begrijpen wat Innisfree hier betekent. Zonder dat kom je op het idee dat het ook iets met vrijheid te maken zou kunnen hebben, innerlijke vrijheid.




De droom van de hut aan het water

I will arise and go now, and go to Innisfree…

Dat arise is bijzonder. Het is alsof de dichter terneerligt, gebukt onder een last en wil opstaan uit die benarde situatie. Hij moet zich moed inspreken om nu eens een einde aan die situatie te maken en te gaan. Een ommekeer dus. Innisfree wordt gezien als een bevrijding van die last.

And a small cabin build there, of clay and wattles made;
Nine bean rows will I have there, a hive for the honeybee,
And live alone in the bee-loud glade.


Die ommekeer is er een naar een eenvoudig en natuurlijk leven. Wat de dichter beschrijft zijn symbolen, want het valt niet mee om in feite een hut van klei en vlechthout te bouwen om nog niet te spreken over het onderhouden van een bijenkorf of het telen van sperziebonen. Het gaat hier meer om een droom, waarin de elementen van de eenvoudige hut, het onbewoonde eiland, het leven met de natuur, en het zijn bij het water een rol spelen.

Die droom is ook niet particulier , maar algemeen. Het is een paradijselijke droom, die vooral opkomt als je gevangen zit in teveel besognes, complexe verhoudingen. Hier is het een droom die opkomt in de stad, op het grauwe plaveisel, want kennelijk brengt het leven in de stad door haar drukte en veelvuldige verhoudingen dat bewustzijn met zich mee van niet meer natuurlijk te leven, vervreemd te zijn van een oorspronkelijke levenswijze. Dat blijkt niet alleen van deze tijd. Dat werd ook gevoeld rond 1890 in een stedelijke conglomeratie als Londen.

Het vinden van vrede

And I shall have some peace there, for peace comes dropping slow,
Dropping from the veils of the morning to where the cricket sings;
There midnight's all a glimmer, and noon a purple glow,
And evening full of the linnet's wings.

De vrede die de dichter in de natuur zoekt is de tegenhanger van de onrust die de stad bij hem oproept. Hij probeert hier een halt toe te roepen aan de oppervlakkige drukte en gejaagdheid, die hem verdeelt en hem zijn innerlijke rust doen verliezen. Meer nog gezegd: de dichter dreigt in de stad zijn droom te verliezen en besluit nu haar voorgoed terug te vinden.

De inhoud van die droom ligt vooral in de ruimte van de natuur, een ruimte die hij inde stad niet kan vinden, omdat daar het tijdsbewustzijn zijn kracht heeft verloren. Die ruimte hangt samen de diepe beleving van de morgen, de middag, de avond en de nacht, die ieder hun rust brengen: de sluier van de morgendauw die van boven neerdaalt, het gloeien van de middag, het wieken van de vogels, die de rust van de avond aankondigen, de schitteringen van de nacht. De droom van de dichter is dus te leven in die oneindig wijde ruimte, die de vermeende werkelijkheid van de stad mist.

De innerlijke ruimte

I will arise and go now, for always night and day
I hear lake water lapping with low sounds by the shore;
While I stand on the roadway, or on the pavements gray,
I hear it in the deep heart's core.

Het wordt meer en meer duidelijk dat de terugkeer naar Innisfree die de dichter voor ogen staat niet zozeer een materieel gebeuren is, maar een geestelijk . De vermelding dat hij for always night and day wil gaan bevestigt dat. Maar wat kan de dichter nog, wanneer zijn heimwee niet kan worden weggenomen door een feitelijke terugkeer? Hem rest niets anders dan die ruimte in zijn verbeelding te scheppen. Is dat iets onrealistisch? De dichter heeft dat vermogen, omdat hij het hoort in het diepst van zijn hart, in the deep heart’s core.

Conclusie

Wat in de poëzie een belangrijke rol speelt is de verbeelding, de droom. Maar dan niet in de vorm van verzinsel of pure fictie. De verbeelding drukt uit wat in het diepst van het innerlijk wordt gehoord en ervaren. Die verbeelding is archetypisch, dat wil zeggen dat ze niet puur individueel is, maar berust op een ervaring die in principe algemeen is. Dit gedicht gaat over zo’n oerervaring van heimwee en het verlangen innerlijk weer thuis te komen en daaraan trouw te willen blijven.

Ik vroeg me af of de dichter Bloem, lopend in de Dapperstraat niet ook zo’n innerlijke ruimte als Innisfree bezat, waardoor hij, waar ook, domweg gelukkig kon zijn. Het zou mij niet verbazen, wanneer ik bijvoorbeeld zijn gedicht Ademen lees. Daarin ademt hij de oneindige ruimte in. Voor dichters is dat mogelijk.