9 maart 2013

Jan Vermeulen: Twee gedichten




Vooraf

Ik ben dit blog begonnen met de vraag wat poëzie is en wat voor functie ze heeft. De poëzie die ik al analyserend las omvat nu inmiddels zo’n vijftig gedichten en het blijkt moeilijk een duidelijke omschrijving van poëzie te vinden. Een eigenschap is wel dat ze een poging is van de menselijke verbeelding om aan de beklemming van de algemene nuchterheid te ontsnappen en voor een moment een nieuwe werkelijkheid te zien. Een nieuwe dimensie die niet aan tijd en feitelijkheid gebonden is.

Ik heb twee gedichten gevonden van Jan Vermeulen die in de buurt komen van wat in mijn ogen dat soort poëzie is. Ze onderstrepen de veronderstelling dat er in de nuchtere werkelijkheid wonderlijke tekens zijn van die diepere dimensie. Een nuchtere lezer zal deze verbeelding een romantisch verzinsel noemen, maar dan heeft hij nog geen weet wat voor diepe werkelijkheid er in de menselijke verbeelding schuilt.

In Mei

Vanmorgen ben ik opgestaan
afwezig, moe en moedeloos
als anders. Buiten voor het raam
bloeide de wilde roos.

En in de ochtendstille straat
zie 'k hoe het leven zich herneemt,
hoe alles langs elkander gaat.
Het blijft mij altijd even vreemd.

Omdat mijn hart naar dingen haakt
die toch niet te bereiken zijn,
omdat het leven mij niet raakt,
omdat er telkens weer een pijn

uit elk beminnen overblijft.
Wat ik verlang wordt nooit voorgoed
bij 't eigen leven ingelijfd,
een eigen weg stroomt ieders bloed.

Vanmorgen ben ik opgestaan,
afwezig, moe en moedeloos.
En buiten voor het open raam
bloeide de wilde roos.

(uit: Vergeefse herfst, 1946)















Analyse

De titel van dit gedicht en de titel van de bundel waaruit het genomen is geven al het kader aan waarin het gedicht gelezen kan worden. Aan de ene kant duidt de titel van de dichtbundel Vergeefse herfst op een periode waarin voor de dichter niets is gelukt van wat zijn hart verlangde. Aan de andere kant biedt In Mei een nieuwe mogelijkheid van geluk. Centraal daarbij is het bloeien van de wilde roos.

Ook dit is weer een van die gedichten die als een ring sluiten doordat de eerste strofe met lichte wijziging in de laatste strofe wordt herhaald. Die wijziging lijkt me overigens wel essentieel voor het verstaan van het gedicht. Is het raam waarvoor de dichter staat in de eerste strofe nog gesloten, in de laatste blijkt het open.

Vanmorgen ben ik opgestaan
afwezig, moe en moedeloos
als anders. Buiten voor het raam
bloeide de wilde roos.

In deze eerste strofe is er een wereld buiten het raam en een wereld binnen. Die binnenwereld is de gesteltenis van de dichter, die als zo vele andere keren afwezig, moe en moedeloos is. Dat is een gesloten wereld, die op een soort chronische depressie lijkt. Hij heeft geen contact met het leven daarbuiten, waarin de mensen langs elkaar heengaan en dus ook langs hem. Die wereld blijft hem altijd even vreemd.

Omdat het hart naar dingen haakt..

In de derde en vierde strofe geeft de dichter een verklaring van zijn moedeloosheid en vervreemding als hij naar de mensenwereld buiten kijkt. Hij spreekt over het verlangen van het hart, dat bij anderen tevergeefs zijn vervulling zoekt en vindt. In feite blijkt iedereen op zoek, wanneer hij zegt een eigen weg stroomt ieders bloed.

Je moet als lezer wel tot de conclusie komen dat het hart van de dichter altijd onvervuld zal blijven, als je leest: die toch niet te bereiken zijn en: wat ik verlang wordt nooit voorgoed bij ’t eigen leven ingelijfd. Je zou kunnen veronderstellen dat zijn verlangen veel te groot blijkt om door mensen ooit vervuld te worden.

Vanmorgen ben ik opgestaan,
afwezig, moe en moedeloos.
En buiten voor het open raam
bloeide de wilde roos.

Veel lijkt er op het eind van dit gedicht voor de dichter niet veranderd te zijn. Tenzij dat open raam een teken is dat de dichter zijn weerzin en gebrek aan vitaliteit heeft overwonnen en weer fris tegen het leven aankijkt.
Een belangrijke factor is hier wel het bloeien van de wilde roos. We moeten hier weer teruggaan naar de titel. Het is Mei, lente. De vergeefse herfst en het daarbij passende dal van de winter is achter de rug. De levenskracht van de natuur breekt weer door. Dat wordt verbeeld in het bloeien van de wilde roos. Het is niet zomaar een bloem, die daar bloeit, maar de bloem der bloemen. Het is niet zomaar een roos, maar de moeder van alle rozen.  Het is de egelantier, die met haar simpele bloemen en haar pijnlijke stekels vanouds beeld is geworden van de liefde. En die liefde heeft naast aardse ook hemelse drijfveren.

Het gedicht doet vermoeden dat op de ondoorgrondelijke wijze van de natuur ook de levenskracht van de dichter zich van binnenuit vernieuwt. Wat de aanblik van de mensen buiten niet vermag wordt opgewekt door de aanblik van het bloeien van de wilde roos. Dat kan het hart op een vreemde onverwachte manier vervullen.

De terugtocht

Ik had vanavond naar het stadspark willen gaan
om voorgoed af te rekenen met het verleden,
maar 'k bracht het niet verder dan halverwege,
toen heb ik voor een venster stilgestaan
waar ik iemand piano hoorde spelen.
Achter de bomen wies een stille maan
en al het leed is van mij afgegleden.
Langzaam ben ik de weg naar huis gegaan.

Uit: 'Vergeefse Herfst', 1946.















Samenvatting

De beide gedichten hebben een zelfde opbouw, waardoor het ene het andere verklaart. Beide beginnen met een voor de dichter uitzichtloze situatie. Hun einde geeft echter een nieuwe opening door een onverwachte ervaring. In het laatste gedicht wordt dit uitdrukkelijk aangegeven doordat de dichter door het horen van nachtelijk pianospel zijn heilloze plannen afbreekt en de terugtocht naar huis weer aanvaardt:

Langzaam ben ik de weg naar huis gegaan.

Dat thuiskomen is niet hetzelfde als het vertrek. Er is iets veranderd, niet zozeer in de buitenwereld als wel in de geest van de dichter, waardoor hij zich weer nieuw en onbezwaard met het leven kan verzoenen.