3 oktober 2011


Nicolaas Beets


De moerbeitoppen ruisten


"De moerbeitoppen ruisten;"
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;


Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koest’ren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.



Analyse

"De moerbeitoppen ruisten;"
God ging voorbij;

Ik heb deze twee beginregels steeds gezien als de aanhef van een natuurgedicht. De dichter ervaart Gods nabijheid in de natuur, in het ruisen van de moerbeitoppen.

Daarbij zag ik de aanhalingstekens van de eerste regel over het hoofd. Die wijzen op een citaat, en nog wel een citaat uit de Bijbel. Dat is niet zo vreemd voor Nicolaas Beets, die naast dichter ook dominee was en dus Bijbelvast.

Het citaat komt uit het tweede boek Samuel 5,24, waarin God David te hulp komt tegen het leger van de Filistijnen. Zodra David het geruis in de toppen van de bomen hoort, weet hij dat God voor hem uitgaat en hij door zijn kracht de Filistijnen zal verslaan.

De dichter zet dus zijn persoonlijke ervaring vanaf het begin in een Bijbelse context. Voegt dat iets toe? Dat moet nog blijken. We worden op een ander spoor gezet, dat van de strijd tegen de Filistijnen. Het ruisen in de toppen van de moerbeibomen is in het Bijbelse verhaal zowel het geluid van het aanstormende leger als de aankondiging van Gods beschermende aanwezigheid.

Dat ruisen heeft dus twee kanten. De dichter ligt in bed en kan de slaap niet vatten. Hij wordt gekweld door gedachten die hem beangstigen en proberen te overweldigen. Dat is het aanstormende leger der Filistijnen. Maar het ruisen geeft ook de geruststellende zekerheid dat God als helper nabij is en niet zal toelaten dat de Filistijnen de overhand krijgen.

Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Het beeld van het goddelijk ruisen geeft aan het gedicht iets lichts en ijls. Ook van zachtheid, zoals later blijkt. Het is als het zachte ruisen van de wind die door de bladeren gaat. Zoals de wind voorbijgaat zo zou ook God kunnen voorbijgaan en meestal doet hij dat ook. Maar de dichter corrigeert zich. God gaat dit keer niet aan hem voorbij.

Het moet een geweldige ervaring zijn dat God bij je blijft toeven, dat hij even de gewone gang der dingen onderbreekt en persoonlijke aandacht voor je heeft. Maar hier vraagt de situatie van de dichter er om en God blijkt zijn angsten te kennen.

Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

We weten niet wat God tot de dichter spreekt, maar dat doet er hier ook niet zoveel toe. Het is voldoende dat de woorden geruststellend zijn en dat Gods tegenwoordigheid de angstige gedachten verdrijft.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koest’ren en beschermen,
En sluimerde in.

Wat volgt is vreedzaamheid en rust. Hier wordt het bekende beeld opgeroepen van God als vader. De dichter wordt hier weer kind dat, om goed te kunnen slapen, door de vader moet wordt gerustgesteld.

De morgen die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.

Het slot van het gedicht voegt weinig nieuws meer toe. Of het moest zijn dat Gods tegenwoordigheid hier een meer blijvend karakter heeft gekregen. Het zijn de Bijbelse, kerkelijke beelden van God als Schild en Wapen, die zijn nabijheid moeten illustreren.

Daarbij kom ik terug op de vraag of de Bijbelse context iets toevoegt aan dit gedicht of er juist afbreuk aan doet. De verwijzing naar de Bijbelse tekst maakt het gedicht minder particulier. Het voegt zich binnen de Bijbelse geijkte beelden, die algemeen bekend worden verondersteld en daarom breed toepasbaar. De vraag is overigens of de meeste lezers die verwijzing (nog)kennen. Maar ook zonder deze kennis kan het gedicht goed gelezen worden. Vooral de eerste strofe blijft tot de verbeelding spreken, misschien nog meer wanneer de Filistijnen er niet bij worden gehaald.

Wat is hier poëzie? Voor mij zijn het vooral die eerste intrigerende beelden van het goddelijke ruisen in de toppen van de moerbeibomen. En dan die plotselinge wending dat God zich bedenkt en bij je blijft toeven. De rest van de strofen voegt zich iets teveel in het welbekende kader van het kerkelijk gebed. De dichters van 1880 hadden voor een deel gelijk, wanneer ze spraken over domineespoëzie.

P.S.
Ik blijf overigens van mening dat de Filistijnen ook nu nog verslagen moeten worden.  Zij waren en zij zijn altijd een bedreiging. Het zijn per definitie vijanden, omdat zij geen manieren kennen en God noch gebod wensen te kennen. Maar we zullen moeten wachten op het ruisen in de moerbeitoppen.

In het Engels is een Philistine een persoon die zich laat leiden door een materialistische visie en door minachting voor intellectuele en artistieke waarden. Zulke mensen zijn helaas niet beperkt tot het Engelse taalgebied.