6 januari 2010




Han Hoekstra

De Ceder


Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats, meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen.
Geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.


Uit: Panopticum, Amsterdam 1946



De Ceder

Analyse

Poëzie creëert uitzicht in een schijnbaar gesloten werkelijkheid, zij maakt daardoor haar volgelingen onaantastbaar voor de grillen van het noodlot.

Wat voor de ik een vruchtbare tuin is, is voor de gij een werkelijkheid, die alleen bestaat uit tekenen van verval (sintels, schillen, schimmel). De blinde, grauwe muur geeft in die visie aan dat de menselijke conditie wordt gezien als  gesloten en onvrij, zonder enig uitzicht.

Poëzie is een onverwacht soort zien, waarin de dichter de sceptische lezer probeert mee te trekken. Wanneer dat niet zou lukken, dan is dat niet een kwestie van niet kunnen, maar van niet willen. De meesmuiler wijst door zijn houding in principe het dichterlijke droombeeld af als een illusie.

Poëzie is vertrouwen in het werkelijkheidsgehalte van de verbeelding. Immers: Geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen. In de verbeelding wordt een onaantastbare en onvergankelijke wereld openbaar, waarvan in dit gedicht de in de tuin geplante ceder het symbool is.

Poëzie maakt vrij. Ze maakt, om met de woorden van Kafka te spreken, van haar gevangenis een lustslot. Ze creëert een wereld, waarin vrij kan worden geademd, omdat ze niet meer onderhevig is aan de wetten van de vergankelijkheid en de grillen van het noodlot.

Door een nieuwe visie te openen op een onvergankelijke werkelijkheid geeft de poëzie hoop. De ceder heeft een ranke, prille stam, maar wij weten, dat zij, eenmaal geplant, zal uitgroeien tot een ontzaglijke en trotse boom.

Poëzie vormt de werkelijkheid om. Wat voor de gij een armzalige binnenplaats is vol verval, is voor de ik een tuin waarin iets onvergankelijks groeit.